Vergeten worden / Eelco Rommes

Vergeten worden / Eelco Rommes

Naast mij op de achterbank slaapt Jack in zijn super-de-luxe autozitje. Kwijl trekt een slakkenspoor van zijn mondhoek naar zijn kin. Met zijn bolle wangen ziet hij eruit als een ballondier op een kinderfeestje, gemaakt door een clown die alleen is ingehuurd omdat hij zo lekker goedkoop was. Maar in mijn moeders ogen is Jack de mooiste baby ooit, zeker mooier dan ik was.

In de acht maanden dat ik een halfzus ben, heb ik geleerd dat een kind krijgen mensen ontoerekeningsvatbaar maakt. Misschien begint het zelfs eerder, misschien maakt seks mensen ontoerekeningsvatbaar. In elk geval maakt het ze roekeloos.

Het licht van de lantaarnpalen kleurt de sneeuw oranje. Ik ga mijn haar precies zo verven, als ik eindelijk geld krijg voor de kapper. Iets feller zelfs, misschien. Mijn moeder vindt dat ‘een ingrijpende beslissing’ waar ik ‘vast spijt van zal krijgen.’ Zelf heeft ze natuurlijk nooit iets gedaan waar ze achteraf spijt van had.

Ik streel een krul uit Jacks ogen.

‘Maak hem nou niet wakker.’ Mijn moeder kijkt me via de achteruitkijkspiegel aan.

‘Oké. Jeanine.’ Ik kan best gehoorzaam zijn, als ik maar wil.

Sinds de scheiding noem ik mijn moeder bij haar voornaam. Ze denkt dat ik het doe om haar te trollen, maar ik krijg het woord ‘mama’ gewoon niet meer uit mijn strot. Een mama is iemand die je op je knie kust als je gevallen bent, die met haar spuug je wang schoonmaakt en die als verrassing een mini-snickers in je broodtrommeltje stopt. Een mama gaat niet op Tinder om de kater van haar scheiding weg te spoelen. Een mama laat zich niet per ongeluk bezwangeren door een fuckbuddy die nu de toffe stiefvader wil uithangen.

‘Het was leuk vanmiddag. Toch, jongens? Ik vond het echt heel erg leuk.’ Aldus Freek, de stiefvader in kwestie.

Mijn moeder klopt op zijn bovenbeen alsof het de rug van een hond is. ‘Ja, schat. Reuzegezellig.’

‘Mijn ouders hebben echt genoten,’ zegt hij. ‘Zo vaak zien ze Jack nou ook weer niet.’

Ze trekt haar hand terug. ‘Ze zijn anders altijd welkom bij ons.’

‘Dat hele eind in pa’s rotautootje? Dat is toch niet te doen.’ Hij trommelt met zijn vingers op het stuur, alsof hij meespeelt met muziek die wij niet horen. Iets uit Volendam, waarschijnlijk. ‘En de achterbank? Vonden jullie het een beetje gezellig?’

Jack en ik zwijgen eensgezind.

‘Ik vind dat Karlijn zich keurig heeft gedragen,’ zegt mijn moeder. ‘Het is niet makkelijk, als meisje van veertien zo tussen die oude mensen.’

Ik richt mijn blik uit het raam. ‘Bejaarden zijn cool,’ zeg ik.

Freek zwijgt. Mijn moeder zwijgt. Jack slaapt. Sneeuwvlokken slaan tegen de voorruit te pletter. Een eikenblad heeft zich aan de ruitenwisser vastgeklampt en zwiept heen en weer, als een hand die om hulp zwaait.

‘Kijk uit!’ Ik schrik zelf van de paniek in mijn stem. Freek geeft al een ruk aan het stuur. Jeanine gilt. We zwenken naar links, dan naar rechts, dan weten we het niet meer. De buitenwereld draait om ons heen. De auto schudt alsof we in een goedkope kermisattractie zitten. We glijden zijwaarts en komen in de berm tot stilstand.

Van mijn kaken tot mijn tenen staat mijn lijf gespannen. Nu de ruitenwissers halverwege hun baan zijn blijven hangen, grijpt de sneeuw zijn kans. Genadeloos bedekken de vlokken de voorruit.

‘Is iedereen oké?’ Freek klinkt behoorlijk kalm.

‘Ik leef nog,’ zeg ik.

‘Hoe is het met Jack?’ vraagt mijn moeder.

Ik kijk opzij naar mijn kleine broertje. ‘Die slaapt nog.’

Een moment is het stil, dan moeten we alle drie lachen.

‘Wat een topgozer is het ook,’ zegt Freek, net iets te opgewekt.

‘Ik kreeg zowat een hartaanval,’ zegt mijn moeder. ‘Wat was dat?’

‘Er stak iets over,’ zeg ik. ‘Een vos. Of een konijn.’

‘Een konijn?’ Veel hoger gaat mijn moeders stem niet. ‘Je jaagt ons bijna de dood in voor een konijn?’

‘Nee, het was iets groters.’ Freek verzet de versnellingspook. ‘Een wild zwijn. Die hebben ze hier uitgezet. Voor de jacht.’ De motor hikt en slaat af. Freek probeert het nog eens, maar de auto geeft geen teken van leven. Hij vloekt en opent zijn portier. Koude lucht strijkt langs mijn gezicht. De dapperste sneeuwvlokken wagen zich naar binnen en smelten op het stuur of het dashboard.

‘Wat ga je doen, lieverd?’

Zonder mijn moeder te antwoorden, stapt Freek uit. Hij loopt naar voren en opent de motorkap. Naast me begint Jack te pruttelen. Hij opent zijn oogjes. Ik glimlach naar hem. ‘Dag kleine man.’

‘Hij krijgt hem wel gefikst,’ zegt mijn moeder. ‘Je papa is reuzehandig met auto’s, hè Jack? Reuzehandig is die papa van jou.’ Ze heeft zich naar hem toe gedraaid en prikt met haar vinger in zijn buikje. Van enthousiasme hopt hij in zijn stoeltje op en neer. ‘Houd jij hem anders even bezig, Freek vindt het fijn als ik domme vragen stel. Dan voelt hij zich slimmer. Meer mans.’ Ze opent haar portier.

‘Wat ben je toch een feministisch boegbeeld.’

‘Je kan best feminist zijn én rekening houden met andermans gevoelens.’ Het portier slaat dicht en gaat direct weer open. ‘Dat zou jij ook eens moeten proberen.’

Jack en ik zijn alleen. Ik maak hem los zodat ik hem op schoot kan nemen. Hij steekt de touwtjes van mijn hoodie in zijn mond en duwt ze met zijn tong weer naar buiten. Ik trek de capuchon van zijn donkerblauwe skipakje over zijn hoofd. ‘Ik weet niet wat jij doet, maar ik ga in de sneeuw spelen.’

Goedkeurend perst hij zijn lippen op elkaar en blaast spuugbelletjes. ‘Prrr!’

Met Jack op mijn heup sta ik buiten. Jeanine en Freek zijn over de open motorkap gebogen. Met een gepijnigde blik prutst hij aan de auto.

‘Moet ik het even googelen?’ vraag ik.

Mijn moeder wappert ons geërgerd weg.

De sporen van onze slippartij staan in grote lussen over beide weghelften geschreven, alsof een kunstenaar het landschap gesigneerd heeft. Jack en ik steken over. Er lopen pootafdrukken door het gras een bevroren meer op.

‘Wat denk jij? Vos of zwijn?’ Jack steekt zijn handen uit. Verlangend werpt hij zich naar voren. ‘Straks laat ik je nog vallen, mafkees. Als ik je met een blauw oog inlever, krijg ik een jaar huisarrest.’

Het ijs ziet er best dik uit. Ik zet er een voet op en verplaats langzaam mijn gewicht. Het houdt, we staan op het meer. Schuifelend volg ik het spoor tot waar de sneeuw verwaait. Hier is alleen ijs en het zwarte water eronder.

De schemering lost op in het donker. Ik kijk achterom. We zijn al een aardig eind het meer op. In het licht van de koplampen jagen de vlokken elkaar na. Jeanine en Freek overleggen driftig, onverstaanbaar. Ik verschuif Jack wat op mijn heup, zet een paar snelle passen en we glijden een stukje. Hij giechelt.

‘Vind je dat leuk?’

Ik probeer een fatsoenlijke aanloop te nemen, maar mijn voet blijft haken. Met moeite bewaar ik mijn evenwicht.

‘Dat ging maar net goed, hè, kleine man?’

Met een ernstige blik duwt hij zijn handje in mijn oog. Ik zet hem op het ijs. Wijdbeens zittend slaat hij om zich heen, brabbelend tegen niemand in het bijzonder.

Op de plek waar ik struikelde, ligt een rode want. Iemand heeft hem verloren of is hem hier vergeten. Als het ijs smelt, zal de wol het water opzuigen, de want zal naar de bodem van het meer zakken en nooit meer iemand in de weg zitten.

De auto start. Ik draai me om. Freek slaat de motorkap dicht en gaat achter het stuur zitten. Ook mijn moeder stapt in. Eerst traag, dan sneller, rijden ze

van mij weg.

‘Hé!’ roep ik. Alsof ze me kunnen horen, alsof ze naar me zouden luisteren.

Lopend en glijdend beweeg ik richting de kant. Natuurlijk zijn ze me niet vergeten. Welke moeder laat haar kind nou alleen in het donker? De achterlichten worden kleiner en verdwijnen tussen de bomen. Ik hol nu in de richting van de weg, zo hard als ik kan. Ze komen zo terug. Ze moeten vast alleen tanken. Of Freek maakt een stom grapje. Ja, dat is net iets voor hem, omdat ik hem soms voor lul-

Ik lig op het ijs. Mijn wang klopt van de pijn. Ik krabbel overeind en voel dat ook mijn heup een klap heeft gehad. De laatste meters naar de kant moet ik schuifelen. Bovenaan de berm gekomen verwarmt de opluchting me als hete chocolademelk: aan de overkant staat de auto, met draaiende motor. Mijn moeder is uitgestapt. Ze tuurt het donker in, ongeveer mijn kant uit.

Ze zwaait. ‘Hij doet het weer hoor. Komen jullie?’

Jullie. Jack. Jack! Ik keer, glijd op mijn billen de oever af en het ijs op, krabbel overeind, ren verder. De eerste meters kan ik nog redelijk zien, maar waar de sneeuw verdwijnt lijkt ook het licht de strijd op te geven. Hier ben ik een schim tussen de schaduwen, elke vlek kan een wak zijn.

‘Joehoe,’ klinkt het achter me. ‘We gaan, hoor!’

Jack is nergens te zien. Als ik hem roep, weet mijn moeder dat ik hem kwijt ben, dat ik hem op het ijs heb laten liggen, dat ik, toen het erop aan kwam, alleen aan mezelf heb gedacht. Dus fluister ik zijn naam, en nog eens, en ik zwalk over het ijs, richtingloos, omdat hij overal kan zijn, links, rechts, voor me of achter me. Of onder me. Ik laat me op mijn knieën vallen, veeg een stuk schoon, druk mijn voorhoofd tegen het ijs en tuur omlaag, het duister in. Iets verderop probeer ik het opnieuw.

‘Jack,’ zeg ik. ‘Waar ben je dan, jochie?’

Stiller is het nog niet geweest op dit meer, stiller zal het er nooit zijn.

‘Prrr!’

Een meter of tien rechts van me zit hij doodleuk op de rode want te sabbelen. Ik pak hem op en druk mijn lippen tegen zijn koele voorhoofd. ‘Sorry,’ zeg ik zacht. ‘Ik zal je nooit meer vergeten.’ Het voelt als het juiste om te zeggen en ik hoop dat ik het meen.

‘Kwam je nou van het ijs?’ vraagt mijn moeder als we instappen. ‘En wat heb je met je wang gedaan? Wacht, ik heb daar wel iets voor.’ Ze rommelt in haar tas.

‘Heel even maar. We waren jullie kwijt.’

‘Hier.’ Ze reikt me een tablet aan. ‘Kinderparacetamol. Goed op kauwen.’

Ik bijt het kapot tussen mijn kiezen. Een flauwe pepermuntsmaak vult mijn mond. ‘Waar waren jullie nou ineens?’

‘Gewoon, keren,’ zegt Freek. ‘Hoor je die motor? Ze spint als een poes.’

‘Goed gedaan, hoor.’ Ik geef een boks tegen zijn schouder. ‘Toch, mam?’

Ze glimlacht naar me. ‘Ja,’ zegt ze. ‘Dat heeft hij goed gedaan.’

Ik neem Jacks handje in de mijne. De rest van de reis zal ik hem niet loslaten.

Vergeten worden                           © Eelco Rommes