Bedankt en Sayonara – Arie Smits

Bedankt en Sayonara – Arie Smits

Teraardebestelling. Afschuwelijk woord. Bent u meneer Geraerts? Alstublieft, de ter aarde bestelling. Met mayo? Nee, doet u maar windvlagen en motregen. Je hebt een beste dag uitgezocht, bedankt Hilde. Op het laatste moment neem je me toch nog te grazen. Geen crematie, nee, een begrafenis in de herfst. Wat zal ik je missen. Dat weet jij beter dan wie ook, kreng! Ik heb helemaal niets met geloof, maar nu … ik wens, nee, ik weet, dat we elkaar ooit weer zullen treffen. Geloof ik. Denk ik. Weet je dat ik er soms toch binnenga, in een kerk? Even alles achter laten; niemand valt je lastig. Misschien ga ik er vanmiddag ook naar toe. Mijmeren over jou. Sorry, ik heb geen zwarte kleding, gewoon mijn dagelijkse, maar je houdt toch niet van die poespas.
Laat ik de deur maar zacht dichttrekken. Ik ga lopen. Geen lift. Grote kans dat ik buren tegenkom. Ik heb geen trek in zinloos gezanik: ‘Wat erg. Zo jong. Het zal wel stil zijn tegenover u?’
Tja, en met mijn vingers langs je deur strijken brengt je ook niet terug. Of langzaam met mijn vingers de letters H.L.Steenroode op je naambordje volgen. Eigenlijk moet ik je dankbaar zijn voor dit hondenweer. Laat het maar regenen, dan kan ik ongegeneerd janken, niemand die het ziet.
Eindelijk, de begane grond. Het regent harder dan ik dacht. Kraag omhoog en handen diep in de zakken. Laat ik maar zo dicht mogelijk langs gebouwen lopen. Dat helpt dus ook niet. Lekker, bij iedere hoek de volle laag. Striemende regen en windvlagen. Ik moet het je nageven Hilde, je weet met allure afscheid te nemen.
Aangekomen bij de volgende hoek, slaat de wind iemands paraplu binnenstebuiten. De man draait zich met zijn gezicht naar de wind en probeert foeterend zijn paraplu te redden. We botsen. Hij heeft mij niet gezien. Beschuldigend kijkt hij mij aan en ik zie een bus wegrijden. Mijn bus. Ik spring net op tijd weg als hij mij passeert en het water hoog opspat. Mevrouw Schreuder en haar man van twee hoog, hebben het wel gehaald. Zij kijkt vanuit de bus op mij neer en stoot haar man aan. Ja, ja, ik kom vast te laat op de begrafenis. Je hebt gelijk.
Ik wacht onder een luifel op de volgende bus. ‘Wegensomstandighedengesloten’ staat er op een handgeschreven briefje. Het is tegen het raam geplakt van Japans restaurant Sayonara. Ons restaurant. We zaten er bijna iedere week. Ik begreep die twee oude vrouwen niet altijd. Geen zin in. Jij gelukkig wel. Het was volgens mij je enige verslaving, sushi. Je wilde mij meenemen naar zo’n sushicursus. Weet je nog? Ik? Ik kan nog geen ei koken. Je was best teleurgesteld. Je had ook alleen kunnen gaan, maar je vond dat ongezellig. Ik vond dat het moest kunnen, we waren tenslotte geen Siamese tweeling. Toen ging je weer twijfelen aan mijn liefde, wat daar natuurlijk niets mee te maken had. Zo ging je maar door. Misschien begrijp je nu waarom ik het voor gezien hield. Toch liet je mij niet los. Best lastig. Wel goed voor mijn conditie. Ik wilde je liever niet tegenkomen en maakte vooral gebruik van de trap. Weet je dat ik uiteindelijk zes kilo ben kwijtgeraakt? Nee, dat kan je niet weten, ik ben je inderdaad nooit tegengekomen. Ik heb je weleens in het spionnetje van mijn deur staan bespieden. Alsof je het voelde, draaide jij je om. Schrok me rot. Ik heb best weleens spijt gehad van mijn besluit. Vooral in het begin. Je bent nu eenmaal een stuk. Ik bedoel, dat was je.
De volgende bus is in ieder geval op tijd. Stampvol. Ik moet staan. Iedereen is nat. Doordat de ruiten beslagen zijn, kan ik niet zien waar we ons bevinden. In de bochten houd ik mij stevig vast. Als er een zitplaats vrij komt, is die van mij. Een moeder houdt regelmatig de benen van haar zoontje vast en waarschuwt hem niet tegen de stoel te trappen. Tot hij met zijn vinger op het raam gaat tekenen. Raketten worden naar planeten geschoten en astronauten exploderen. Als hij klaar is, wrijft hij met zijn mouw het raam schoon. Als dat nog niet voldoende is, wil hij het raam gaan likken, wat hem een draai om zijn oren oplevert. Dankzij het onverwachte zicht, zie ik opeens de begraafplaats aan mij voorbij gaan. Maakt niet uit, ben toch nat, ik loop wel. Je moet toegeven dat ik nooit eerder zo veelvoor je heb overgehad. Tja, nu je dood bent, je hebt gelijk. Toch bedankt dat het even droog is.
Het grootste deel van de terugweg loop ik langs de muur van het kerkhof waar natte cipressen bovenuit steken. Bij iedere stevige windstoot krijg ik waterdruppels over mij uitgestort. Net alsof ik door een pastoor met een wijwaterkwast word gezegend.
Bij de ingang kom ik twee opvallende oude vrouwen tegen. Het zijn de Japanners van het restaurant. Aan de zijkant van een gebouw worden twee deuren geopend. Vier mannen rijden een kist op een baar naar buiten. Ze dragen een regenjas en groene laarzen. Hun gezichten staan verveeld. Hobbelend over smalle paden stoppen ze bij een pas gegraven graf en tillen in een vloeiende beweging de kist van de baar. De oude vrouwen blijven gearmd voor mij staan. Ze zijn niet groter dan een meter zestig en zien er, in hun zwarte kimono’s, als een tweeling uit. Ze draaien zich om en buigen. ‘Is goed alles, ja? Wij jammer vinden. Misschien straks. Het beginnen, ik denk.’ Ze wijst naar het graf waar belangstellenden zich ondertussen hebben verzameld. Tot mijn verbazing lopen de Japanse dames in een heel andere richting dan verwacht. Ik ga onder een boom staan. Voorlopig blijf ik liever op afstand.
De pastoor wacht tot iedereen zich rond het graf heeft verzameld en begint te praten. We zijn bijeengekomen bij het graf van Hilde Steenroode om haar de laatste eer te bewijzen en geven haar terug aan de aarde …, blablabla. Zoiets zal hij wel zeggen. Ze staan stram in de houding met de handen op de rug. Of snuiten hun neus. Alleen de vrouw met twee kinderen aan de hand staat niet stil. De bladeren van het boek, in de handen van de pastoor, proberen te vluchten op de wind. Volgens mij heeft de kou de weg naar mijn botten gevonden. Laat de wind alsjeblieft gaan liggen. Het is eigenlijk niet erg snugger om te gaan schuilen onder een kale boom. Als het nog langer duurt, vallen dikke druppels een gat in mijn hoofd.
Ik ruik je herinnering. De kruidige, bittere geur van chrysanten. De begraafplaats is ermee gedecoreerd. Op veel graven staan potten of vazen gevuld met chrysanten, sommigen staan al te rotten. Natuurlijk, het is november. Ik geloof nu echt dat jij je eigen begrafenis regisseert. Je wilde iedere november dat ik meeging naar het graf van je oma. Ik heb dat mens nooit gekend. Jij met een watergieter. Een borstel. Poetslap. Chrysanten. Als je eens wist hoe ik mij voor gek voelde staan. Maar dat zal je nu wel begrijpen, zoals ik hier sta.
Wanneer de pastoor de kist zegent, rennen de twee kinderen weg. De Japanners lopen aan de andere kant van de begraafplaats. Zal ze wel of niet achter haar kinderen aangaan? Wat doen die Japanners eigenlijk? Zoeken ze een graf? Ze lopen in een grillig patroon en af en toe bukken ze. Om het grafschrift te lezen? Misschien is het een Japans ritueel. Er wordt een kleed uitgevouwen en op de grond uitgespreid. Terwijl ze wordt ondersteund, gaat er één op de knieën. Ze pakt iets uit een zak. De ander houdt een boodschappentas omlaag. Misschien voeren ze een ritueel uit. Iedere keer gooit ze iets in de tas.
‘Het is hier net een oude sepia foto, vindt u niet?’ Ik heb hem niet zien aankomen. Hij is keurig gekleed, niet zo groot en draagt een snor als een walrus. Ik schat hem achter in de zeventig.
‘Ik wil mij er niet mee bemoeien, maar onder een kale boom is het moeilijk schuilen. U blijft liever op afstand? Ik ook. Ik hou niet zo van dat gedoe eromheen. Allemaal zoete woordjes. Ik stel me soms voor hoe het er bij mijn overlijden aan toe zal gaan. Dat klinkt misschien gek, maar ik ben de jongste niet meer. Bij leven en welzijn word ik over een maand tachtig. Maar ik zal u met rust laten, ik zie dat ik u verveel.’ Hij draait aan de punt van zijn snor en loopt met rustige pas verder tot hij zich weer omdraait. ‘Soms wens ik dat ik het leven kan terugspoelen, weet u. Dat ik het leven opnieuw mag monteren, maar dan in de juiste volgorde. Eerst ik en dan zij.’
Er steekt een rode roos uit zijn jaszak. De pastoor glimlacht. Ik zie hem uitnodigend wijzen. Op dat moment draaien de aanwezigen zich als een peloton richting cake en koffie. De moeder valt uit de toon, ze loopt snel naar haar giechelende kinderen. De Japanse dames hebben hun bezigheden gestaakt en kijken, staande naast elkaar, naar het vertrekkende gezelschap. Ik loop langzaam naar Hildes laatste rustplaats. Een van de kinderen begint te huilen na een draai om de oren. Ze verdwijnen naar binnen. De oude man en ik komen tegelijk bij Hilde aan. Zijn armen hangen langs zijn lichaam. In een hand houdt hij de roos. Ik heb alleen mijnherinneringen. Dan komen ook de Japanse dames in stilte bij het graf. Ze houden plechtig hun handen voor de borst. De oude man gooit de roos in het graf en blijft met zijn handen in zijn zak staan. Ik vraag me af wie hij is. Zo staan we stilzwijgend naast elkaar in de diepte te staren. Geen geluid. Alsof er een teken wordt gegeven, buigen de Japanners tegelijkertijd. De tas, die ik ze heb zien vullen, wordt op de grond gezet. Samen staan ze er in te graaien. Het is net of ze een vlinder in hun handen vast houden. Ze prevelen iets onhoorbaar en gooien dan hun handen in de lucht. Alsof de vlinder zijn vrijheid krijgt. In een ogenblik vult de lucht zich met wolken kleurige confetti. Het zijn snippers chrysantenbloemen. Er dwarrelt veel op de kist, maar het meeste treft vooral de oude man en mij. Omdat we nat zijn, blijft alles plakken. Verrast kijken we elkaar aan en bulderen het uit van het lachen. Op dat moment lijken onze levens opeens synchroon te lopen. Er volgt een stevige klop op mijn rug. ‘Kom! Ik heb zin in een stevige borrel.’ Vlug kijk ik nog eens om en beloof snel weer terug te komen. In ieder geval in november. Dat beloof ik je.
Bedankt en Sayonara © Arie Smits

Beoordeling Natasza Tardio

Algemeen:
Dit verhaal loopt over het algemeen goed door. Echter roept ook vele vragen op die niet worden beantwoord en waardoor het voor de lezer moeilijk wordt om een te worden met de karakters en wat ze doormaken.

Inhoud:
Bedankt en Sayonara is een compleet verhaal, waar de protagonist afscheid moet nemen van zijn buurvrouw met wie hij ook een andere band had. Wat deze band daadwerkelijk was en wat er is gebeurd, blijft onduidelijk. Het verhaal is compleet, maar het raakt mij als lezer niet. Ik kijk er meer als buitenstaander naar, net als de protagonist en eigenlijk is het toch de bedoeling dat je de lezer meetrekt in je verhaal. Dat kan ook als je het gevoel van afstand wilt blijven behouden. Onder andere door de lezer iets meer duidelijkheid te geven wat de protagonist voelt door middel van flashbacks of gebeurtenissen die eerder hebben plaatsgevonden. Dit gebeurde bij dit verhaal niet, waardoor de opluchting/climax aan het einde niet als zodanig voelde. Dit komt ook omdat de relatie tussen de protagonist en de overledene niet echt duidelijk wordt. Wat heeft zich afgespeeld? Wat was hun band? Er blijven te veel vragen open, waardoor de lezer niet in staat is om een band te krijgen met de protagonist. Het gebruik van de weerelementen is mooi, maar komen hierdoor niet optimaal tot hun recht. Het blijft een beschrijving van feitelijkheden.

Wat ik wel heel mooi vond waren de Japanse dames en hoe er werd beschreven wat zij deden op de begraafplaats terwijl de anderen bij het graf stonden. De auteur kan erg mooi details beschrijven en ik zou hem dan ook aanraden om dit gegeven te gebruiken en op deze manier emotie te gebruiken om de lezer er bij te betrekken. Ook is de auteur goed in staat om een plot te schrijven. Voor veel schrijvers lastig, dus complimenten. Het is dan ook een compleet verhaal met begin, midden en eind.

Conclusie:
Het verhaal ‘an sich’ heeft zeker potentie, echter het wordt op dit moment nog te verhalend verteld en hier en daar gaat het gewoon te snel. Dit zorgt ervoor dat de lezer niet meegetrokken wordt in de emotie van de protagonist. Het is soms niet goed te volgen wat er nu precies aan de hand is, buiten dat iemand naar een begrafenis toe gaat. Net als de protagonist blijft de lezer een toeschouwer tijdens alle gebeurtenissen. Jammer, want als wij als lezer in de emotie en het verhaal waren getrokken, had de climax, die heel mooi gevonden is, ook echt als een climax/opluchting aangevuld en hadden wij net als de karakters waarschijnlijk ook kunnen lachen.