Ik zie je, bro (herschreven) / Aukje-Tjitske Dieleman-Hovinga

Ik zie je, bro (herschreven) / Aukje-Tjitske Dieleman-Hovinga

Samen met een paar andere jongens uit mijn klas liep ik naar de supermarkt om de hoek. Hij en zijn vriend kwamen er net vandaan. Hij lachte en sloeg een arm om de schouders van zijn vriend terwijl wij voorbij liepen. Ik keek twee keer om.
Bij de snoepautomaat zagen we elkaar opnieuw. ‘Je mag wel eerst, hoor,’ zei hij. ‘Ik weet nog niet wat ik wil.’ Ik drukte snel op de 3 voor een snickers, ik wilde hem niet te lang laten wachten. Mijn snickers bleef halverwege vastzitten. Ik gaf een klap tegen het apparaat. Hij keek op. ‘Zal ik even helpen?’ En voor ik kon antwoorden, gaf hij het ding een enorme dreun. De snickers viel gelijk naar beneden. ‘Kijk,’ zei hij. ‘Daar ben ik nou een vierdeklasser voor geworden. ‘Hij knipoogde naar me. ‘Jij zit in de derde, toch? Heet je niet Thijs of zo?’
‘Mathijs,’ zei ik. ‘En jij?’
‘Timon.’ Hij stopte een muntje in de automaat en koos ook voor een snickers.

We bleken op dinsdag en donderdag hetzelfde uur uit te zijn. We fietsten vaak samen, al spraken we nooit af. Meestal liepen we elk met onze eigen klasgenoten naar de stalling aan de zijkant van het schoolplein. Soms was hij iets eerder, soms iets later dan ik. Ik wist al gauw waar hij zijn fiets neerzette. Stond die er niet, dan liet ik vlug mijn schooltas in mijn fietstas glijden, riep doei tegen mijn klasgenoten en reed zo hard mogelijk weg, in de hoop dat ik hem nog kon inhalen. Als zijn fiets er wel stond, probeerde ik nog een praatje te maken of haalde ik mijn telefoon tevoorschijn. Pas als ik hem het schoolplein op zag komen, trapte ik langzaam weg. Dan kwam hij na een paar bochten naast me fietsen.
Onderweg praatten en zwegen we honderduit. ‘Heb je die vent van aardrijkskunde gezien? Is naar de kapper geweest en ik weet niet welke, maar…’ Of: ‘We hebben een film over Shakespeare gekeken bij Engels vandaag. Wel relaxed, maar die man wordt toch uitgekauwd. Het lijkt wel alsof die Engelsen verder geen literatuur hebben geschreven.’
Shakespeare afkraken. Dan durf je wel. Ik probeerde op mijn beurt heel stoer te doen over dingen uit mijn schooldag. Meestal viel hij me bij, maar hij kon ook zeggen: ‘O ja? Vorig jaar had ik ook mevrouw Silvester. Ik vond haar wel chill. De Vries is erger’ of ‘Bij biologie vond ik dat stuk over de bacteriën juist vet.’
We fietsten over de binnendijken van de kale Zeeuws-Vlaamse polders, waar we alleen gestoord werden door een enkele trekker. Bij de afslag naar mijn dorp namen we altijd afscheid. We zeiden ‘Later!’, ‘Ik zie je, bro!’ of ‘Auf wiedersehen’. De leraar Duits kon dat zo grappig zeggen. Ik keek hem zo lang mogelijk na en imiteerde de manier waarop hij op zijn gemak over de weg slingerde.

Op een donderdagmiddag in juli vertelde hij dat hij op zaterdagen vaak zijn oom hielp op de boerderij, met het melken van de koeien en zo. En dat hij daar nu naar toe moest om ‘even de koeien te checken’. Zijn oom was op vakantie. Ik liet een paar keer een enthousiaste ‘oh’ horen en stelde wat vragen. Het leek me wel vet om zo’n bijbaan te hebben. Bij mijn afslag bleven we staan. Hij glimlachte naar me. ‘Ga anders mee, bro.’
En dus fietste ik samen met hem rechtdoor. Die boerderij bleek zeker een halfuur verder te zijn. We kletsten wat en de zon scheen. Ik appte mijn moeder dat ik later zou komen.
Hij opende de staldeur, liet me de koeien van zijn oom zien en controleerde de hoeveelheid voer. ‘Heel simpel,’ zei hij, ‘voer erin, melk eruit. En stront natuurlijk.’ Hij trok me mee naar de melkrobot en de grote tank vol melk. Die was vettig en had een nasmaak die overeenkwam met de geur op de boerderij. Ik wist niet zeker of ik het wel zo lekker vond, maar knikte enthousiast met hem mee. Hij liet me ook de trekker van zijn oom zien. In de krappe cabine zaten we schouder aan schouder, terwijl hij uitlegde wat alle knopjes betekenden, en ik rook een mengeling van zweet en aftershave. Zijn bruine ogen hadden een groenachtige zweem.
Aan de buitenkant van de stal stak een kraan uit de muur en hij vulde zijn schoolfles met water. Ik deed hetzelfde. We dronken van het koele water en liepen om de stallen heen. ‘Kijk, dat daar is een oude drinkwaterplaats,’ zei hij. We lieten onze rugzakken van onze schouders glijden en ploften neer in het gras. Timon had in de stal uitvoerig uitleg gegeven en grapjes gemaakt, maar nu viel hij stil. Ik wist ook niets meer te zeggen. De vogels om ons heen tjilpten hard.
De stilte duurde voort en ik peuterde aan de naad van mijn spijkerbroek op mijn dij. Die van Timon was amper een centimeter bij mijn hand vandaan. De grond vlak voor ons was duidelijk heel drassig geweest en vertrapt – vast door de koeien – waardoor er veel kleine kuilen in zaten. We waren op het zachtere gras in de schaduw gaan zitten. Ik merkte dat het nog vochtig was van de regenbui van eerder die middag. Normaal was ik opgestaan en had ik een drogere plek gezocht. Nu leek het me vreselijk om voor het volle zicht van Timon een natte plek op mijn kont te hebben. Ik vroeg me af of hij ook een natte plek op zijn broek zou hebben en of hij dan rood zou worden, erom zou lachen of achteloos over de stof zou vegen. Vast het laatste.
Ik keek naar de drinkwaterplaats: het riet, het modderige water, de planten langs de rand. Er groeiden paarse bloemen en ik wilde zeggen: ‘Wat een mooie pinksterbloemen,’ maar was er het volgende moment niet zo zeker van of het wel pinksterbloemen waren en slikte mijn woorden in. Pinksteren was allang geweest.
De stilte tussen ons was zo tastbaar dat ik elke vezel van mijn lijf voelde. Er kriebelde iets op mijn rug, ik durfde niet te krabben, mijn armen bewoog ik zo min mogelijk, mijn benen begonnen te prikken en mijn tong en lippen werden droog. Het gevulde flesje water zat in mijn rugzak, net buiten handbereik. Zou er wel geluid uit mijn keel komen als ik nu iets zou zeggen? Ik durfde niet te kuchen en hield mijn mond dicht.
Een eend streek luid kwakend neer op het water. Timon ging een beetje verzitten. Ik zag een mier op een grassprietje, volgde de bewegingen van een koolwitje boven wat brandnetels en tuurde naar de stam van een treurwilg die schuin over het water gezakt was. Ik keek naar van alles, maar niet naar hem. Niet rechtstreeks, in ieder geval. Toch voelde ik zijn warmte naast me, hoorde ik hem ademen en dacht ik alleen aan hem.
Aan zijn donkere, halflange krullen in zijn slanke nek, zijn adamsappel even boven de rits van zijn donkergroene bodywarmer en, een eindje daaronder, een stukje lichte huid. Dat plekje zag er teer en kwetsbaar uit. Heel anders dan de flink gebruinde huid van de rest van zijn hals, zijn blote armen en zijn gezicht. Op zijn neus zat een klein pigmentvlekje en zijn mond was vrij breed. Hij had volle lippen en grote indrukwekkend ronde ogen. Ik had nog nooit zo intens iemand niet aangeraakt.

De zaterdag daarop vertrok ik met een smoes van huis en fietste ik naar dezelfde boerderij. Het erf zag er verlaten uit en ik durfde niet de stal in te gaan.

De dagen en uren kropen voorbij en de lessen op dinsdagmiddag waren nog saaier dan anders. In de gangen betrapte ik mezelf erop dat ik alle gezichten afspeurde in de hoop een glimp van Timons gezicht op te vangen. Ik oefende alle mogelijke manieren om hem te vragen om eens af te spreken, hier in de stad, of misschien weer op de boerderij, of… Bij de gedachte aan hem bij mij thuis kreeg ik het warm.
Die middag was ik blij dat ik hem in de verte zag fietsen. Hij had dezelfde groene bodywarmer aan, zijn benen bewogen traag. Ik ging naast hem rijden. Mijn ‘hoi’ klonk schor. Hij glimlachte, paste zijn tempo aan dat van mij aan en vertelde als vanouds over leraar zus en klasgenoot zo. Bij de afslag naar mijn dorp zei hij dat zijn oom terug was van vakantie. Boeren gingen nooit lang weg. De vraag of hij wilde afspreken bleef in mijn keel branden.

Een week later sprak hij me zomaar op het schoolplein aan en maakten we een praatje alsof we de beste vrienden waren. Ik dacht dat iedereen naar ons keek en elk moment in lachen kon uitbarsten. Niemand reageerde.
We groetten elkaar steeds openlijker in de gangen. Ik zette mijn fiets in de buurt van zijn fiets in het fietsenhok en op dinsdag- en donderdagmiddag wachtten we elkaar daar op.
Voor het eerst vond ik het jammer dat het bijna zomervakantie was. De dagen werden rommeliger; soms kregen we eerder vrij omdat we toch al niets meer deden. Timon en ik liepen elkaar meer dan eens mis. Eén keer bleef ik anderhalf uur op school rondhangen met het idee om op het vaste tijdstip met Timon mee te fietsen, maar toen ik bij het fietsenhok kwam, was zijn fiets al weg. Hij had wel een briefje in mijn fietstas gedaan. In slordige hoofdletters stond er: ‘Ben eerder uit. Timon.’ Daaronder stond zijn telefoonnummer. In het vervolg stuurde ik hem een appje als ik eerder uit was en daarmee stapte hij mijn zichtbare vrienden- en kennissenkring op WhatsApp binnen.
Op de laatste redelijk normale lesdag wachtte hij me op. ‘Hey bro. Ik moet nog effe shoppen voor mijn moeder. Zin om me te joinen?’
Het klonk heel nonchalant maar langzamerhand kende ik hem goed genoeg om te zien dat hij zijn vingers snel heen en weer bewoog. Was hij zenuwachtig? Om naar de winkel te gaan? No way. Vanwege mij? Een warme rilling ging over mijn rug. ‘Ja, chill,’ reageerde ik. Ook net iets te nonchalant.
We kochten tien borden bij de Action en kregen van de caissière papieren vellen in onze handen gedrukt om ertussen te leggen. Elke keer als Timon een bord op mijn papier legde, raakten onze vingers elkaar even. Ik liet er bijna eentje vallen.
Bij het fietsenrek vlak bij de uitgang legde hij een arm om mijn schouders heen. Ik stond heel stil, bang om hem weg te jagen. ‘Nu die dingen nog een beetje relaxed thuis zien te krijgen’, zei hij. Hij haalde zijn arm weg en boog zich over het slot van zijn fiets.
‘Misschien kunnen ze beter in mijn fietstas?’ stelde ik voor. Ik wilde hem laten merken dat ik het oké vond, die arm om mijn schouders, dat het allemaal normaal was.
‘Goed idee,’ zei hij. ‘Die van jou is groter.’
We zwegen terwijl we door de stad fietsten. Ik moest steeds aan die arm om mijn schouders denken en aan de naderende zomer. Morgen sportdag, volgende week boeken inleveren en nog een eindfeest. En dan was het grote vakantie. Ik wilde met een plan komen om elkaar te blijven zien. Maar mijn hoofd was leeg.
Ik zag de weg naar mijn dorp al en schraapte mijn keel. ‘Zal ik met je meefietsen naar je huis? Of wil je de borden alsnog in je eigen tas doen?’
‘Heb je tijd, bro?’
‘Tuurlijk.’ Op dat moment had hij me kunnen vragen om met hem mee te gaan naar Australië.
Timon woonde in een twee-onder-een-kaphuis met donkerblauwe kozijnen. Hij opende de garagedeur en reed zijn fiets naar binnen. Ik bleef op de oprit staan. Waar moest ik met mijn fiets naartoe? Gelukkig stond hij al snel bij me. ‘Zet hem hier maar neer.’ Hij haalde de borden voorzichtig uit mijn fietstas en liep voor me uit naar de achterdeur.
‘Eh… dit is de bijkeuken.’ Met zijn handen vol maakte hij een zwaai naar de rommelige kamer. Hij zette de borden op een lage kast en bewoog zijn vingers weer heen en weer. ‘We hadden nog wel even kunnen chillen, maar eh… Mijn ouders vinden het niet goed als ik iemand meeneem naar huis als er niemand is. En ze zijn nu niet thuis. Dus eh…’
Mijn wangen werden warm. De hele weg hiernaartoe gefietst om nu alweer weg te gaan? Geen kans om Timon beter te leren kennen, zijn kamer te zien, samen een game te spelen naast elkaar op de bank… Tegelijk vloeide de spanning in mijn buik weg. Pff, ik hoefde zijn ouders nu gelukkig niet te ontmoeten. ‘Oké,’ deed ik luchtig. ‘Ik zie je!’ En ik draaide me om.
Hij pakte mijn arm. ‘Wacht. Ik wil je bedanken.’ Hij nam mijn andere arm ook, zette een stap naar voren en liet me toen los. ‘Bedankt’, zei hij. ‘Echt bedankt.’

De volgende dag was het sportdag op school. Terwijl ik met mijn teamgenoten bij de sportvelden wachtte tot we aan de beurt waren voor een estafetteloop, zag ik de klas van Timon volleyballen. Hemzelf zag ik nergens, ook later niet in de kleedkamers of bij het uitreiken van de medailles van de estafetteloop. Zou hij ziek zijn?
Een meisje uit zijn klas bleef staan en keek naar mij. ‘Zoek je Timon?’ vroeg ze. ‘Hij is er vandaag niet. Kennismaking op zijn nieuwe school.’
Mijn hoofdhuid begon te tintelen. ‘Huh, wat?’
‘Ja.’ Ze zwaaide vrolijk naar een vriendin verderop. ‘Hij verhuist naar Assen. Dus ja, met die kennismaking is hij wel de hele dag bezig.’
Assen? Was dat niet Groningen of Drenthe? Daar had hij gister niets over gezegd! Was het allemaal één grote grap geweest en zou hij straks samen met zijn nieuwe klasgenoten gieren en brullen om dat rare joch uit Zeeuws-Vlaanderen?
‘Ko-hom nou Mathijs, wat sta je daar nou te staan!’ Mijn teamgenoten riepen en zwaaiden ongeduldig naar me vanaf het volleybalveld. De gymleraar stond bij het net en had een shirt aan met ‘scheidsrechter’ erop. ‘We moeten nu beginnen!’ Ik rende naar ze toe. Assen, Assen, Assen dreunde het in mijn hoofd. Waarom moest hij zo nodig verhuizen?

Op zaterdagochtend werd ik met spierpijn en knallende hoofdpijn wakker. Ik dronk wat water met paracetamol, peuzelde met moeite een halve boterham op en nam een besluit. Ik rukte mijn fiets uit de garage en trapte, terwijl het pijpenstelen regende, naar de boerderij van Timons oom.
Blijkbaar wist de hele school van de verhuizing van Timon af. Dat wil zeggen, Timons klasgenoten en zelfs de twee meiden en de jongen uit mijn klas met wie ik mijn pauzes doorbracht. Waarom had hij het niet aan mij verteld? Was ik een random gast voor hem? Een vage vriend die de saaie fietsrit naar huis wat leuker maakte en die je daarna gelijk vergat?
Ik schaamde me kapot. Om alle gedachten die ik aan hem had besteed. Om de afgelopen nacht. De halve nacht had ik wakker gelegen, starend naar mijn telefoon, dubbend: zal ik hem wel of niet appen? Uiteindelijk blokkeerde ik hem in WhatsApp. En heb ik hem gelijk weer gedeblokkeerd. Ik zag Timon steeds voor me. Naast me op de fiets, bij de drinkwaterplaats, in de trekker, bij de Action, zijn arm om me heen. Zijn rare dankjewel in de bijkeuken van zijn ouders speelde ik wel honderd keer af. Ik herinnerde me elke gênante opmerking van mezelf, elk misverstand tijdens onze gesprekken, het lange zwijgen op de fiets. En ik drukte mijn hoofd in mijn kussen om niet te huilen.
Maar nu was het dag geworden en ik had niets te verliezen. Dus stond ik op de trappers en zwoegde ik over het landweggetje naar de boerderij van Timons oom.
Het erf was leeg. Verderop hoorde ik het geronk van een motor. Ik zette mijn fiets op de standaard en
bleef even staan. Zou ik naar het huis gaan en gewoon aanbellen? Vragen of Timon vandaag hier werkte? Of toch verder het erf op lopen? Misschien zat Timon wel in die trekker. Was hij doodgewoon aan het werk, terwijl ik me suf piekerde! Met grote passen liep ik in de richting van het motorgeluid en sloeg bij de stal de hoek om. Er stapte net een oudere man uit de trekker. Timons oom? Ik stond meteen stil en wilde al weglopen. Te laat. Hij kwam op me afgelopen. ‘Goedemiddag, jongeman. Wat brengt jou hier?’
‘Eh… Ik was in de buurt en eh…’ Ik rechtte mijn rug. ‘Is Timon toevallig hier? Ik heb gehoord dat hij hier wel eens werkt.’
‘Nou dan tref je het. Hij is net bij de koeien.’ Timons oom liep voor me uit en schoof de staldeur open. ‘Jij bent een vriend van hem? Kijk gerust even binnen.’
Ik kon moeilijk niet naar binnen stappen met die man naast me, maar ik was compleet vergeten wat ik allemaal had bedacht om tegen Timon te zeggen. Wat wilde ik nou helemaal? En wat was hij me verschuldigd? Timon zat gehurkt in het midden van de stal. Naast hem lagen felgele kaartjes en een hoop zwarte clips. Hij stond gelijk op en struikelde bijna over een baal stro vlak achter hem. ‘Mathijs!’
‘Timon.’ Meer kreeg ik niet uit mijn keel.
Hij vroeg niet wat ik daar deed. Misschien zag hij aan mijn gezicht dat ik het wist. Misschien had hij een berichtje gehad van dat meisje uit zijn klas. Misschien raadde hij het gewoon.
‘Ik ben aan het werk,’ zei hij, totaal overbodig. ‘En in de vakantie ga ik verhuizen.’
‘Dat hoorde ik.’
‘Het spijt me. Echt. Ik wilde het je zeggen. Ik wist alleen niet hoe. Ik… Mijn tong zit in de knoop, Mathijs. Elke keer als ik bij je ben. Ik zeg wel van alles maar niet de goede dingen. En ik wist niet eens zeker of je… Tot bij de Action donderdag, maar gisteren was ik er niet en… Ik vind je leuk, Mathijs. Meer dan leuk. Als je begrijpt wat ik bedoel.’
Mijn boosheid was nu helemaal verdwenen. ‘Meer dan leuk?’
‘Meer dan leuk.’
Hij legde zijn handen op mijn wangen en drukte zijn voorhoofd tegen het mijne. Zijn tong gleed langs mijn lippen en draaide cirkels om mijn eigen tong heen. Stevig en warm. De warmte van zijn borst trok door mijn doorweekte zomerjas. Ik voelde de spanning wegglijden en begon voorzichtig ook mijn tong te bewegen.

Ik zie je, bro (herschreven) © Aukje-Tjitske Dieleman-Hovinga

Met dit verhaal won Aukje-Tjitske de LetterSpinsels literatuurprijs 2025. Lees hier de beoordeling door Mariël Hacking.