Donkere wolken boven Beieren / Barbara Joy

herschreven kwartaalwinnend verhaal

Merien schakelde terug en luisterde naar de luchtgekoelde motor die achter hem ronkte. Zijn nieuwe Brilkever had geen moeite met de heuvels van het Beierse land. Onder andere omstandighe­den zou hij genoten hebben van de bochtige wegen met verras­sende vergezichten, maar nu was er te veel onrust in zijn lijf. Hoe zou Koen reageren? Deze vraag flad­derde al een week als een opgeschrikte zwerm vo­gels door hem heen. Van zijn drie zoons was Koen de minst inschikkelijke.

Dus hier ergens had Koen in de oorlog gezeten. Te­werk­gesteld op een boerderij. Zijn zoon had het slechter kunnen treffen. Op Walche­ren zag je nog overal littekens van bombar­dementen, maar dit mof­fenland oogde ongeschonden. Lieflijk bijna. Het was niet rechtvaardig. Vier van Meriens huizen en een op­slagloods had­den voltreffers gekre­gen, maar gelukkig had hij de zaak nog. Hij had geen recht van klagen. Er was veel vraag naar landbouwwerktuigen.

Hij stuurde met één hand, met de andere mas­seerde hij zijn nekspieren. Wat bezielde Koen een half jaar geleden toch om alles achter te laten en terug te gaan naar deze plek in Duitsland? Ze hadden hem niet zo moeten verwennen, nu verdroeg hij geen tegenslag. Hoe dan ook, dat gedoe moest maar eens afgelopen zijn. Koen hoorde hier niet. Hij hoorde bij Mientje en hun kleine Elsje.

Mientje had zich geen raad geweten toen Koen na de zoveelste ruzie de deur was uitgelopen om niet meer terug te komen. Toen had Merien haar kunnen troosten en helpen. Het was wel makkelijk als je een paar centen had. Maar nu lagen de zaken anders.

Merien trok zijn schouders hoog op en liet ze daarna zakken, draaide zijn hoofd van links naar rechts en haalde diep adem. Het moest luk­ken, hij deed dit voor Mientje. En Louise. Al die jaren van hun huwe­lijk had ze zich geschikt naar hem, ze deed nooit moeilijk. Tot een week terug. Ze had hem vol in het ge­zicht geslagen, haar koffer gepakt en hem toegebeten dat ze hem nooit meer wilde zien. De gekwetstheid in haar ogen had hem meer ge­raakt dan wat dan ook. Houden van lijkt soms zo vanzelfsprekend. Misschien had hij haar vaker moeten zeggen hoeveel hij om haar gaf. Terugdraaien kon niet meer. Goedmaken ook niet. Hij móest Koen naar huis halen. Dat was het beste. Voor iedereen.

Was hij maar niet zo moe. Moe van het denken. En het slechte slapen. Hij draaide het raampje open en joeg de motor op naar 80 km per uur. De wind koelde zijn verhitte kop.

Hij keek om zich heen. De bermbloemen waren hier en daar al uitgebloeid, maar zouden volgend jaar weer in knop komen. Schuin boven hem graasden bruine koeien. De wereld draaide met een geruststel­lende ze­kerheid door.

In de verte, op een heuvel stond een wit kerkje. De groene omgeving oogde vredig. Koen had er vaak over ver­teld. Hij was goed behan­deld en eten was er vol­doende geweest. Het werk op de velden was zwaar en soms gevaarlijk, zoals het handmatig maaien van het gras op de schuine hellin­gen, maar de lichamelijke inspannin­gen hadden hem goed gedaan. Hun jongste zoon was bij terugkomst in meerdere opzichten volwas­sen geworden. Misschien had dat ook te maken met Traudel, de boerendoch­ter. Als Koen over haar ver­telde, straalden zijn ogen. Zou zij nog steeds bij haar ouders op de boerderij wonen? Vol­gens Koen was die groot genoeg voor twee gezin­nen. Traudel was enig kind, de man die haar kreeg, kreeg de boerderij erbij.

Mocht Koen daar ooit van gedroomd hebben, was die droom voorbij toen hij met Mientje moest trouwen. Mooie Mientje, aanhankelijk als een krols katje, ze had zo haar maniertjes om aandacht én haar zin te krijgen, hij snapte wel dat zijn zoon voor haar gevallen was. Maar het enige dat ze ge­meen hadden, was hun felle karakter en hang naar luxe.

Bij Koen ging het vaak alleen om het veroveren, het hebben. Hij was nooit goed ge­weest in het houden. ‘Het bezit van de zaak, is het einde van het vermaak,’ zei hij dan.

Elsje had mama’s grote, donkere ogen geërfd en papa’s blonde haar dat bij de oor­tjes al krulde. Koen was trots op zijn mooie poppetje, zo­als hij haar noemde. Tot ze las­tig bleek te zijn, vaak moest overgeven en haar ouders nach­tenlang uit hun slaap hield. Je zag Koen onverschilli­ger worden. Hij ver­scheen ’s mor­gens meestal te laat in de werk­plaats en durfde ook nog om opslag te vra­gen. Merien had hem die loonsverhoging geweigerd, waarna er harde woorden gezegd waren. Had hij hem zijn zin moeten geven, zoals Louise vond? Hij was nooit blij geweest met dat mate­rialisti­sche karaktertrekje van zijn zoon. Tot van­daag.

Boven op een heuvel zette Merien zijn Kever aan de kant, stak een sigaret op en bestudeerde de wegen­kaart. De kleine wegen stonden er niet op. Hij keek om zich heen. De zon ging schuil achter don­kere wolken, waar­door hij zich moeilijk kon oriënte­ren. Daar, die grote boerderij, aan het eind van de onver­harde weg. Die moest het zijn. Zijn hoofdpijn nam toe. Met een paar slokken cognac uit de heupfles nam hij twee aspirines in. Hij strekte zijn rug, stapte in en reed naar de boerde­rij. Niet meer denken nu, maar doen. Zonder omhaal Koen inlichten, dat was het beste. Koen zou het telegram wel ontvangen hebben en op de boerderij zijn.

Merien trapte de rem diep in, met een schok kwam de Kever tot stilstand op het erf. De motor sloeg af en Merien stapte de stilte in. Een stilte die dreigend aanvoelde. Zoals de wind op Walcheren ineens kan gaan liggen, voordat er een nietsontziende storm losbreekt die de zee tot gevaarlijke hoogte opzweept. Merien wachtte tot de plotselinge kramp in zijn buik afnam.

De voordeur zwiepte al open voordat hij er was. Een blozende, jonge vrouw met blonde vlechten keek lachend naar hem op. Achter haar verscheen een jongetje van een jaar of drie, vier. Hij had krullend blond haar en het­zelfde engelengezichtje als Elsje, maar dan met blauwe ogen.

De grond onder Meriens voeten leek weg te draaien, hij greep zich vast aan de deurpost.

De vrouw stak haar hand uit. ‘Traudel. Herzlich willkommen.’

‘Merien, de vader van Koen.’

‘Ja, ja, er erwartet Sie schon. Er ist in der Scheune.’

Scheune? God, wat haatte hij die taal.

‘Dort,’ wees ze. ‘Hinter dem Haus.’

Merien liep naar de grote schuur. Dat jongetje… Het­zelfde haar als Koen toen hij klein was. Van wanneer tot wanneer precies was Koen hier tewerkgesteld geweest? Hij kon niet meer helder denken. Stel dat… Dan werd het wel heel moeilijk om Koen mee terug te krij­gen.

Hij stapte de schemerige schuur binnen en her­kende zijn zoon direct aan zijn lange gestalte.

‘Dag, jongen.’

Koen kwam wijdbeens voor hem staan, zijn handen in de zakken van zijn werkbroek. ‘Zo pa, je bent er. Ik dacht al een automotor te horen. Goede reis gehad?”

Merien knikte. Een nieuwe kramp teisterde zijn buik.

Koen nam hem taxerend op. ‘Wat brengt jou hier, je bent toch niet ziek, hoop ik?’

Merien schudde zijn hoofd. ‘Ik kom je halen. Dat knechtje spelen ver weg van vrouw en kind heeft nu wel lang genoeg geduurd.’

Koen lachte schamper. ‘Die tijd is voorbij, pa. Dat je me kon commanderen. Ik ben een volwassen man en doe wat ik zelf wil.’

‘Dat jongetje dat bij Traudel stond… Heb je iets met haar?’

‘Nee,’ zei hij nors. ‘Zij is getrouwd. Met de vader van Hansje.’

‘Jij bent ook getrouwd, jongen. Elsje mist je. Ze praat al een beetje. Als ze de keukendeur hoort opengaan, dribbelt ze die kant op en roept, papa?’

Koen zuchtte. ‘Ik mis haar ook, maar haar moeder mis ik niet. Het is beter dat we definitief uit elkaar gaan. Hoe is het met ma?’

‘Eerlijk gezegd weet ik het niet. Je moeder logeert bij haar zus in België.’

‘Bij tante Gina? O, nou, leuk voor hen, toch?’

‘Daar is niks leuks aan. We hebben problemen. Het is het beste als je mee naar huis gaat. Mientje is zwan­ger.’

‘Zo.’ Zijn gezicht verstrakte. ‘Is dat zo?’

Merien voelde het zweet in zijn oksels prikken. ‘Ja, vorige week heeft de huisarts het bevestigd.’

Koen knikte langzaam. ‘Dan ga ik zeker niet mee. Dan zoekt ze haar heil maar bij die andere vent. Als die mijn vrouw zo nodig zwanger moet maken, moet hij ook maar voor haar zorgen.’

‘Dat kan niet.’

‘Hoezo niet?’ zei hij schel. ‘Ik zal niet dwarsliggen en stem in met een scheiding, zeg dat maar tegen haar. Of moet dat geile zwijn haar soms ook niet meer? Wie is het, weet je dat?’

‘Ja. Ik. Ik heb haar zwanger gemaakt.’

Koen deinsde achteruit. ‘Wát?’

‘Ze is bijna vier maanden. Je kunt het nog niet echt zien. Maar dat zal niet lang meer duren en dan-‘

Koen stapte naar voren en greep zijn vader bij de re­vers van zijn jas. ‘Heb jij…? Gat-ver-dam-me, pa. Hoe-kon-je?’ Hij spoog de woorden in zijn gezicht en duwde hem toen ruw van zich af.

‘Toen jij wegliep, wist zij zich geen raad. Ze had geen inkomen. Ik heb haar een baantje gegeven in de zaak, je moeder paste op Elsje. Ja, ik zorgde voor je vrouw, want jij nam je verantwoordelijkheid niet. Ik heb haar moeten troosten en toen ik haar in mijn armen had-‘

Koen hief zijn handen. ‘Hou maar op. Ik wil het niet weten.’ Hij draaide zich om en gaf vloekend een trap tegen een stapel kratten die omkiepte. Enkele lege wijnflessen sloegen kapot op de betonnen vloer.

Merien pakte de envelop uit zijn binnenzak. ‘Het had natuurlijk niet mogen gebeuren. Het spijt me. Voor haar, voor jou, voor je moeder. Mientje heeft er ook spijt van. Kijk, een brief van haar. Zij wil je graag terug. Het gaat ook om de toekomst van Elsje en eh… het tweede kind.’

Koen stak een vinger naar hem uit. ‘Jóuw kind, pa. Niet het mijne. Jullie zoeken het maar uit. Jezus zeg, wat een rotzooi hebben jullie ervan ge­maakt!’

Merien haalde een foto uit de envelop en hield die voor het gezicht van Koen. ‘Zo ziet Elsje er nu uit. Zie je die krullen? Ze gaat steeds meer op jou lijken.’

Koen streek met de rug van zijn hand over zijn mond, pakte de foto en liep naar buiten. Merien sjokte met samengeknepen billen vanwege een nieuwe kramp achter hem aan en ging naast hem staan.

Koen stopte de foto in zijn binnenzak en keek voor zich uit.

Merien volgde zijn blik. Het uitbundige geel van de zonnebloemen stak scherp af tegen het zwart van de lucht. In de verte rolde een donder.

Langzaam draaide Koen zich naar hem toe. Zijn ogen ston­den niet zacht, zoals Merien gehoopt had. Ze wa­ren tot spleetjes geknepen. Zo kon hij als kind ook kijken, als hij bang was dat hij tekortgedaan werd. Voordat zijn grotere broers hun hand hadden kunnen uitste­ken, graaide hij dan snel de grootste koek uit de trommel en rende la­chend weg.

‘Ik zal ervoor zorgen dat jullie niets tekortkomen,’ haastte Merien zich te zeggen. ‘Ik denk erover om de zaken uit te breiden met de verkoop van auto’s. Met landbouwmachines valt een aardige boterham te ver­dienen, maar auto’s, dat is de toekomst. Ik heb in Rotterdam een lichtblauwe Kever gekocht, en die bevalt me prima. Van Driel van de bank kwam laatst informeren of ik er tevreden mee was en het hoofd van de school denkt er ook over om er een aan te schaffen.’

Merien schraapte zijn keel en snakte naar een flinke slok cognac. ‘Natuurlijk kan je weer bij mij in dienst ko­men, tegen een riant salaris. Rinus werkt als chef van de werkplaats, Bertus doet de verkoop; als jij nu eens de inkoop gaat doen? Je spreekt goed Duits en als ik besluit om Volkswagens te importe­ren, beho­ren za­kenreisjes naar Duitsland tot je werk. Je hoeft niet de hele tijd op de lip van je gezin te zitten. Wat vind je daarvan?’

Koen stak zijn lippen naar voren. Nam de tijd om na te denken. ‘Als ik het doe, ik zeg áls… dan enkel als fir­mant. Met een gelijke winstdeling. En ik moet na­tuurlijk ook een auto hebben. En dan wil ik voor mijn kinderen, ook een ruimer huis. Zonder hypo­theek­lasten. Zoiets als die villa in de Magnolialaan.’

‘Maar die huurt Van Driel met zijn vier kinderen. Al jaren. Die kan ik er niet zomaar uitzetten. Bo­vendien heb ik op dat huis nog een hypotheek lopen.’

‘Hoe je het doet, kan me niet schelen. Maar dat zijn mijn voorwaarden om jullie uit de stront te trekken. Ik doe het vooral voor ma, om haar de schande te be­spa­ren. En je hebt gelijk, het zou zonde zijn als ik mijn kwaliteiten en kennis niet gebruik voor de zaak.’

Merien zuchtte. Nu de spanning uit hem weg­vloeide, voelde hij pas echt hoe moe hij was. Hij pakte de fles cognac en hield hem Koen voor. ‘Een verstandig besluit, jongen.’

Koen klokte achter elkaar een paar slokken weg. ‘Dat is verrekte goeie cognac, pa,’ zei hij smak­kend. ‘Heb je daar thuis nog meer van?’

Merien dronk de fles leeg en draaide de dop erop. ‘Rémy Martin. Je kan wel een flesje krijgen.’

‘Een paar flessen zouden ook welkom zijn.’

Merien knikte en legde zo veel mogelijk autoriteit in zijn stem. ‘Morgen­ochtend om acht uur vertrek ik vanuit Gasthof Krone. Ik wil door België terug. Langs je moeder. Dus zorg dat je op tijd bent.’

Donkere wolken boven Beieren           © Barbara Joy


Beoordeling Joost Nillissen

Donkere wolken boven Beieren is een vakkundig geschreven verhaal, zoals we dat van Barbara gewend zijn, maar voor ik mijn beoordeling geef, eerst even iets anders. In Donkere wolken boven Beieren herkende ik veel van de tips die ik ooit zelf van Barbara kreeg voor het schrijven van een goed verhaal. Ik hecht eraan jullie te vertellen dat ik veel van Barbara geleerd heb, zij heeft veel van mijn verhalen verbeterd. In dit verband wil ik een voorbeeld geven. In een verhaal van mij van meer dan twintig jaar geleden bezoekt een succesvolle vrouw de nog al slonzige kamer waar haar ex-man zijn laatste dagen sleet. Ik beschreef gloedvol de kamer in Amsterdam Oud-Zuid, de kleding van de vrouw, het uitzicht op de achtertuin. Barbara maakte me erop attent dat ik in mijn verhaal de vrouw niets liet voelen, ze zocht, bijvoorbeeld, niet naar foto’s van vroeger. Barbara stelde voor dat ik de vrouw misschien haar vingers over de rand van de tafel zou laten glijden, op de plek waar haar ex jaren aan had zitten schrijven. Dat was een eye-opener! Leef je in in je protagonist!
Ik vond het nodig deze achtergrond te geven, omdat mijn beoordeling van haar verhaal nog al kritisch is uitgevallen en de aanmaning ‘leef je in in je protagonist’ hier van toepassing is.

Eerst de kern van het verhaal, bondig samengevat: In de jaren vijftig is een vader onderweg om zijn weggelopen zoon terug te halen naar vrouw en kind. Er is een complicatie: de zoon weet niet dat tijdens zijn afwezigheid de vader de vrouw van die zoon heeft bezwangerd. Niet zo fraai, eigenlijk best wel walgelijk. Er zijn veel romans rond dit thema geschreven. Dan is er nog een complicatie: de moeder des huizes is bij de vader weggelopen. De taak van de vader is de boel weer bij elkaar te brengen. Ik denk: misschien is dit onderwerp wel te groot voor een kort verhaal.

Bij de eerste lezing viel me meteen op dat hier vooral informatie wordt verstrekt. Het is nog geen mooi, literair, of poëtisch verhaal wat wij beginnen te lezen. Bijna twee pagina’s lang heb ik het gevoel dat ik kleine beetjes informatie word toegediend. Enerzijds leest dat niet lekker, anderzijds wordt de lezer wel bij de les gehouden.

Meteen in de eerste zin val ik over het nogal technische aspect van een ‘luchtgekoelde motor die achter hem ronkte’. Ik weet helemaal niets van auto’s, maar dit toevallig wel, omdat ik in een grijs verleden ook in een kever heb gereden en daarom weet dat Volkswagen veel te lang koppig vasthield aan luchtgekoelde motoren die in de achterbak zaten.
Barbara kiest er nadrukkelijk voor het verhaal te vertellen vanuit het perspectief van de vader en het in de vroege jaren vijftig te laten spelen. Het is niet zo dat het verhaal de jaren vijftig ademt, integendeel, het is een tijdloos verhaal of liever: een verhaal van alle tijden.
Het moffenland ligt er ongeschonden bij, de zoon is tijdens de oorlog op een boerderij in Beieren tewerkgesteld. Walcheren is pokdalig van de bombardementen, we rijden in een Brilkever, er is een telegram verzonden. Het nadeel van deze keuze is dat er nog al wat informatie verstrekt moet worden om het in die jaren vijftig te plaatsen. Voor een alwetende verteller is het makkelijker.

We zitten dus in de jaren vijftig, we rijden door Beieren en de protagonist achter het stuur heeft iets waarover hij zich zorgen maakt. Hij is onderweg naar zijn zoon Koen en vraagt zich af hoe die zal reageren. Oké, interessant.
We krijgen nog meer informatie: de vader is welvarend, want hij bezit vier huizen die door voltreffers zijn geraakt, en een loods. Gelukkig heeft hij zijn zaak nog. Hij verkoopt landbouwwerktuigen. Helder.
Nog meer informatie: “ze hadden Koen niet zo moeten verwennen, nu verdroeg hij geen tegenslag”. Welke tegenslag?
Hoe dan ook, het moest maar eens afgelopen zijn. Koen hoort thuis bij zijn vrouw en dochtertje. Ik lees dat als een hele korte samenvatting van een slecht huwelijk of een huwelijk met problemen. Het is een obligate mededeling, want waarom moet Koen thuiskomen? Omdat een scheiding in de jaren vijftig een schande was? Ik vermoed van wel, maar dan zou Merien die zorgen moeten uitspreken.
En dan meteen hierna nog een probleem: Louise, zijn vrouw, is bij hem weg. Ze had hem vol in het gezicht geslagen en wil hem nooit meer zien. Jeetje. Weer een hele korte samenvatting.

Conclusie: Koen moet terug naar huis, dat is het beste voor iedereen. Waarom? Dat weten we nog niet en dat maakt het verhaal spannend.
Dan volgt een romantisch stukje met bermbloemen, bruine koeien, een wit kerkje, tot ineens Traudel haar intrede doet. Zij deed indertijd Koens ogen stralen. Zij zal de boerderij erven en dat is leuk voor de man met wie ze trouwt. Hier begint zich iets af te tekenen. Dit is een leuke wending met veel mogelijkheden. Ik lees geboeid door.
We vernemen iets over Mientje, de vrouw van de zoon. Krols katje, ze deelt haar felle karakter en de hang naar luxe met haar man Koen. Informatie, denk ik.
Zoon Koen wordt in weinig zinnen neergezet als hebberig, verwend, lui en onverschillig. Materialistisch. Dat zal die vader ook wel zijn met zijn huizen, loods en bedrijf. En nieuwe Brilkever.

Er volgt nu een intermezzo met een sigaret en buikkrampen. Donkere wolken die hem aan Walcheren doen denken. De reden van de titel van het verhaal. Gaat die titel nog wel de lading dekken?
En dan verschijnt daar Traudel met een vierjarig kind aan haar rokken, een jongetje met “hetzelfde engelengezichtje als Elsje”
Die had ik niet aan zien komen. Als een doos van Pandora dient zich een overvloed van mogelijkheden aan. Het is het kind van Koen, natuurlijk, maar het is al vier jaar oud, dus verwekt tijdens de oorlog en nooit erkend. Misschien zijn we niet in de jaren vijftig maar eind jaren veertig. Mooie wending, vind ik. En de vader denkt het ook, want Barbara neemt ons mee met die verdenking. Maar nee, in één zin wordt die gedachte ontkracht: “’Nee,’ zei hij nors.” Traudel is getrouwd met de vader van het kind. Ik denk, Traudel kan dan wel getrouwd zijn, maar dat jongetje kan nog altijd het kind van Koen zijn. De man van Traudel hoeft dat niet te weten, of misschien weet hij het wel en heeft hij het kind geaccepteerd. Spannend!

Dan komen we bij de clou van het verhaal. De dialoog tussen zoon en vader in de schuur geeft de geheimen prijs. Koen wil scheiden van zijn vrouw en vraagt hoe het met zijn moeder is. Die zit bij tante Gina in België, want pa en ma hebben problemen. O en Mientje is zwanger. En al meteen blijkt dat ze niet door de melkboer is bezwangerd, maar door Koens vader. “Gad-ver-dam-me”, roept Koen en gelijk heeft hij.
Mientje heeft een brief geschreven en wil Koen graag terug.
De ogen van Koen vernauwen zich tot valse spleetjes wanneer zijn vader hem probeert over te halen naar huis terug te keren. Hij verleidt zijn jongste zoon met een baan, een salaris, maar Koen wil meer: een huis dat eigenlijk niet beschikbaar is. Koen probeert er alles uit te halen. Zelfs een paar flessen Remy Martin.
De kwestie lijkt opgelost wanneer de vader met zo veel mogelijk autoriteit zijn zoon maant morgenvroeg op tijd te zijn voor de terugreis.

Dit gesprek in een Beierse schuur heeft genoeg stof en drama voor drie pagina’s, wat zeg ik, een hele roman! Het onderwerp is te groot voor de pagina die de dialoog nu beslaat. En daarom ook ongeloofwaardig, of in ieder geval niet voldoende uitgewerkt. Er moeten hier zoveel emoties spelen, maar die komen niet uit de verf. De twee hoofdfiguren, de vader en de zoon, zijn onaangename personen. De een verlaat zijn vrouw en kind, de ander wordt door z’n vrouw verlaten omdat hij z’n schoondochter zwanger heeft gemaakt. De zoon is een inhalige egoïst, een naar, geslepen mannetje. Dat is de conclusie, maar echt tot leven komt hij niet. De vader kan ik ook niet goed plaatsen. Waarom moet Koen eigenlijk terug? Als hij nou onmisbaar was in de zaak – bijvoorbeeld als enig kind, in plaats van de jongste van drie – dan zou ik dat kunnen begrijpen. De vader had er ook voor kunnen kiezen Mientje financieel te steunen en op die manier de vrede te bewaren. Is het de schande van een scheiding? Een nog bijkomende schande is het kind dat door de vader is verwekt. Met Koens terugkomst kan die schande ook enigszins beperkt worden. Dat is allemaal aannemelijk, maar het staat er niet. En dan Louise, waarom is het zo belangrijk dat zijn vrouw terugkeert? Houdt hij zoveel van haar, kan hij niet zonder haar, is het eigenlijk haar bedrijf en is hij die kwijt als zijn vrouw hem verlaat?
Het wordt mij maar niet duidelijk waarom de vader deze stappen onderneemt. Wat gebeurd is, is gebeurd. Tragisch. Tijd heelt alle wonden, het leven gaat door. De precieze reden waarom de vader zijn waardeloze, inhalige, egoïstische, luie zoon terug wil hebben wordt niet verklaard.

Samenvattend: Barbara schreef een groot, boeiend verhaal over een heel zwaar onderwerp. Ze bouwt het vakkundig op, er is lang over nagedacht, het is zorgvuldig gedaan. Alles klopt, je kunt haar op geen fout betrappen.
Maar ik herken – tijdens de eerste lezing al – hoe de informatie in de tekst geschoven wordt. Dit is te vakkundig, te systematisch, bijna mechanisch, en leest niet prettig. Natuurlijk bestaat elk verhaal uit ‘informatie’, maar hier wordt gestapeld. Dat kan ook haast niet anders, want het verhaal is te groot voor een kort verhaal van tweeënhalf duizend woorden. Het hele verhaal zou zich in de Beierse schuur kunnen afspelen, een dialoog met flashbacks, beschuldigingen en smeekbedes over en weer.
Ik vraag me af hoe het verhaal uitpakt als er voor een alwetende verteller zou worden gekozen. Die kan gewoon vertellen hoe het is: “In de jaren vijftig reed Merien in zijn nieuwe Brilkever naar Beieren om zijn zoon terug te halen.” Dan zijn die ingeschoven informatiebrokken niet nodig en kan er geconcentreerd worden op het drama, want ik las nergens een woord over wroeging, spijt, de noodzaak alles weer ‘normaal’ te laten zijn, het belang van de zaak, schande, schaamte, geld.
Het drama verdient meer aandacht. Qua karakterologische beschrijving is dit een onontgonnen gebied. En met name de vraag waarom Koen moet thuiskomen en waarom de vader de eisen van zijn zoon inwilligt, moet beantwoord worden. Gaat Koen het kind, dat zijn vader bij zijn vrouw verwekt heeft, als eigen kind accepteren en opvoeden? Het zijn nogal emotionele vraagstukken, zeker voor de jaren vijftig in protestants Zeeland. Misschien kan Barbara die periode tot leven laten komen door de schande te verbeelden, door duidelijk te maken hoe erg dat was, een scheiding, een weggelopen vrouw en een onecht kind. Dat drama miste ik een beetje.

Een allerlaatste puntje: Hansje met het engelachtige gezicht net als Elsje. Dat is een bijzonder mooi fragment in het verhaal. Ik veerde op. Jammer dat er niets mee gedaan wordt. Ik moest denken aan het adagium dat voorschrijft: een pistool dat op de eerste pagina wordt geïntroduceerd moet voor de laatste pagina zijn afgeschoten. De ontkenning van Koen geloof ik niet. Hier zit meer achter. Maar de auteur beslist anders en dat vind ik spijtig.