Wat woorden – Gerry van Rheenen

Streepjesregen. Zo noem ik de loodrecht gestaag naar beneden vallende stroom druppels,  aaneengeregen tot een mistgordijn. Ik kijk er doorheen en zie wat ik bijna elke dag zie. De man aan de overkant, die met een straatveger zijn stoepje onder handen neemt. Gratis water, geen emmers sjouwen vandaag. De radio achter mij versterkt het ruisend regengeluid. Met mijn vlakke hand sla ik op het onvermurwbare plastic. Luid geknetter is het antwoord. Pas wanneer mijn hand de antenne ondersteunt hoor ik een stem. 

   In de Sahellanden dreigt een humanitaire ramp nu voedseltekorten oplopen door droogte.  

   Miljoenen mensen, waaronder een miljoen kinderen dreigen zwaar ondervoed te raken.  

   Noodhulp is dringend vereist. 

‘En werken aan structurele oplossingen,’ mompel ik. 

Ik laat de antenne los en zie de beelden voor mij. Grote, bruine ogen staren me aan. Dof. Geen stampende voeten meer, maar moedeloos zitten in het rode zand. De man aan de overkant kijkt omhoog, zijn gezicht glimmend nat.

Ik ga aan de keukentafel zitten en pak mijn pen. Zou je met water kunnen schrijven? Snel loop ik met een emaillen beker naar buiten en vang de regen op. Kletsnat zoek ik zo’n kroontjespen. Leg een schoon vel wit papier op tafel. Voorzichtig probeer ik Afrika. Dan met de neus er bovenop kijken, lezen. Hoe wonderlijk mooi, alsof een heel fijn naaldje het woord er ragfijn opgeborduurd heeft. Van mijn verbazing bekomen lees ik opnieuw. Het papier is leeg, Afrika weg. Woorden, schrijf ik. Floep. Een dikke druppel doet me glimlachen. Net als toen, tot het gaatje indopen. Minutenlang blijft het woord zichtbaar, dan is het weg. 

Noodhulp. En toch had ik het geschreven. Afrika en woorden. Wie zal me geloven? Dat daar woorden staan geschreven? Waar dan? Daar, kijk, de r en de d, die zie je nog. Wat een doorzichtig wit, fragiel wonder. Regenwater. 

Ik pak mijn vulpen en een nieuw vel papier. Mijn ogen zweven met de pen boven de lijntjes. We zijn in gedachten. We luisteren naar de regen, de radio. De pen valt met een plofje op tafel. Ik trek de laptop naar me toe. 

‘Je moet aan het werk, schrijven.’ 

De woorden tollen en tuimelen door mijn hoofd. Hoe kan ik ze pakken? Ik wil ze op papier hebben, desnoods in regenwater. Regen. Toen ik voor het raam stond; ja, ik weet het weer. Mijn vingers glijden soepel over de lettertoetsen. Ik verlang naar het ratelen van toetsen, als regengekletter op een zinken dakje. 

Woorden zingen zich los, schrijven zich zuigend vast. Ondanks de regen is het tropisch warm. De woorden blijven plakken. Ik schud ze door elkaar. Ze moeten meedoen. Enter. Geen woordenwarboel vandaag.  

Er tikt iemand tegen het raam. Als ik opkijk zie ik de overbuurman staan. Hij gebaart naar boven met zijn bezem. Ik ga naar hem toe.

‘Je dakgoot. Hij stroomt over.’

Nu kijk ik ook omhoog. Meteen krijg ik een plens water in mijn gezicht. 

‘Het lijkt wel een douche’, proest ik, ‘ik ga gelijk iemand bellen. Dank u wel!’

Bellen? Omdat mijn goot overloopt van regen? Ik zou een leiding aan moeten leggen, regelrecht naar Afrika. Daar smeken ze om regenwater. Het idee.

Idee? Waarom geen regenwater verzamelen in containers en gebruiken voor bevloeiing van het land? 

‘Jij dom druppeltje op de gloeiende plaat’, schud ik mijn hoofd. ‘Maar wacht eens, ik heb het: een omleiding! Dat is het. Zullen de mensen in Afrika geloven dat ik schrijf met water?’

Ik kruip al achter mijn lapscherm en ratel erop los. Wat een reclameslogan om geld binnen te halen voor de Sahellanden. Ik ga door tot ik bijna helemaal tevreden ben. Dan bel ik. Niet naar de loodgieter al stroomt het water langs mijn raam. Ik zoek contact met de coördinator van World Wide Water en heb heel wat uit te leggen. Doodzonde als ik dit niet zou neerschrijven: Waterwriting for Africa, verder lezen …  

Een half uur later is de man dolenthousiast en samen bejubelen we de regen. Druppels die woorden zijn. Woorden die druppels zullen worden. 

Lang staar ik naar mijn watergordijn. Draai me dan naar het zwartgevallen scherm en laat aarzelend wat woorden komen, begin te schrijven. Deze wateropbrengst voor mijzelf print ik uit en fluisterend lees ik:

         

        

        wat woorden

        wat woorden met me doen

        staat in geen verhouding

        tot aan de laatste letters geproefd

        kliekjes van alledag

        zintuigen fluisteren ze

        me toe

        in woordloze beelden

        stem gegeven handschrift

        papieren dragers voor verdriet

        dichte regels als afscheid

        voor nablijvers

        archetypische en neo-logische woorden

        verdwaald in de taal

        zonder draad van Ariadne

        stilte zal de woorden lezen