Los zand – Barbara Joy

Los zand – Barbara Joy

Voorzichtig, om haar niet wakker te maken, trek ik het dagboek uit haar handen. De grote, kinderlijke letters verleiden tot lezen. Even twijfel ik, dan sla ik het schrift met de pluchen kaft dicht. Jolien mompelt iets en draait zich op haar zij. Het smalle stapelbed protesteert kreunend. 
Joris ligt roerloos. Verwarde haren, warme wangen. Een hele dag zee, zand en Franse zon hebben hem knock-out geslagen, lijkt het wel. 
Ik blijf even kijken naar mijn slapende tieners. Waar is de tijd gebleven dat ze graag samen op één kamer wilden slapen. Wat zijn herinneringen toch wonderlijke dingen, denk ik als ik naar het zitgedeelte van onze caravan loop. In een fractie van een seconde ben je terug in de voltooid verleden tijd.    
Sander heeft twee rode wijntjes ingeschonken. Hij kijkt op.’Slapen ze?’
‘Als marmotten.’ Het volle, warme gevoel trekt weg als ik zie dat hij weer in gepeins verzinkt. Hij staart naar zijn glas en strijkt met z’n duim en wijsvinger over z’n snor. Steeds dezelfde beweging. Zijn gedachten bij vertes die ik niet ken en waar hij me ook niet mee naar toe wil nemen. 
Ik schrik als er op het raam getikt wordt. Sander schuift het gordijn opzij. Een verlegen lachende jongeman met donkere krullen wil ons met veel gebaren iets duidelijk maken in rap Frans. 
Sander gebaart naar de voortent en staat op. Ingespannen luister ik naar het geluid van de rits en de stemmen. Het vertrouwde gebrom van Sander en lichtere klanken in levendig Frans. Nieuwsgierig ga ik in de deuropening staan. De jongen van een jaar of twintig, steekt zijn hand naar me uit. ‘Bonjour madame, ik heet Stephanó.’ 
‘Hij wil iets hebben, maar ik begrijp niet wat,’ zegt Sander met hulpeloze blik. 
Stephanó herhaalt zijn vraag. 
‘Lucifers,’ zeg ik. ‘Hij wil een doosje lucifers om de gaslamp aan te steken.’ 
Ik stap de voortent in zodat Sander naar binnen kan.
‘Ik werk hier op de camping,’ vervolgt Stephanó. ‘Vakantiejob. Ik ben een student. Met nog een paar jonge mensen woon ik in die oude caravan, daar.’ 
Hij wijst in de richting van de tennisbanen en ik knik alsof ik weet over welke caravan hij het heeft. Sander geeft hem lucifers.
‘Wilt u een glaasje wijn?’ 
‘Merci, heel vriendelijk van u, maar nee. Mijn vrienden wachten op mij.’ Hij buigt en bedankt ons alsof we zijn leven hebben gered. Sander laat hem uit en komt zwijgend tegenover me zitten. Hij trommelt met zijn vingers op het tafelblad. Hard, zacht, hard. 
‘Aardige jongen,’ zeg ik om de spanning te breken.
‘Ja, hè?’
‘Wel een beetje overdreven.’
‘Dat is gewoon een vorm van beleefdheid,’ zegt Sander voor zijn doen ineens levendig. ‘Ze kunnen van die Fransen zeggen wat ze willen, maar manieren hebben ze wel. Trouwens, deze camping is ook niet verkeerd, hè? 
Ik knik en kijk naar zijn ogen waarin de vlam van het eenzame kaarsje twee keer weerkaatst. Lijkt het maar zo of glanzen zijn ogen? 
‘Het weer zit natuurlijk ook mee,’ vervolgt hij. ‘En de stranden zijn hier geweldig.’
‘Ja, leve de stranden,’ zeg ik en denk aan het naaktstrand een stuk verderop waar hij ineens zo nodig iedere dag naar toe moet. ‘Alleen jammer dat je de taal niet beheerst, hè?’ 
Hij reageert niet. 
‘Voor Joris is dat geen probleem,’ begin ik weer. Die heeft het hier wel naar z’n zin; zolang hij maar met zijn surfboard in de weer kan zijn. En hij maakt natuurlijk makkelijk vrienden. Hopelijk zal dat straks in de brugklas ook zo zijn.’ 
Sander zegt niets, strijkt weer over zijn snor en ik ga verder. ‘Jolien is wat dat betreft heel anders. Van haar kan ik soms geen hoogte krijgen, misschien dat jij eens…’ 
Opnieuw die afwezige blik. 
‘Sander, hoor je wel wat ik zeg?’
‘Eh ja. Jolien. Wat is er met haar?’
‘Met haar? Wat is er met jou! Ik heb het over ons kind en het interesseert je niets. Vroeger waren jullie two of a kind, altijd samen en nu… Je kan niet alles afschuiven op die zogenaamde midlifecrisis van je, of wat dan ook. Dat je met jezelf in de knoei zit en af en toe als een zombie rondloopt, is nog tot daaraan toe, maar dat je geen oog hebt voor je kinderen, dat begrijp ik gewoon niet. Wil ik ook niet begrijpen!’ 
‘Je hebt gelijk. Ik moet meer met hen doen, maar Jolien. Vroeger leek het allemaal zo makkelijk, ging het vanzelf. Maar nu.., ze verandert met de dag.’
‘En Joris dan?’ wil ik vragen, maar hij heft z’n handen op en maant me tot zwijgen.
‘Oké, oké. Het ligt aan mij, ik weet het. Misschien was deze vakantie toch een verkeerd idee. Sorry.’
Ik zou hem door elkaar willen schudden, gillen desnoods, als ik maar wist hoe ik hem kon bereiken. Alles beter dan die verlammende machteloosheid.
Hij kijkt me aan als een kind dat een standje krijgt. ‘Je denkt misschien dat het me allemaal koud laat, maar dat is niet zo. Het spijt me, echt waar. Maar ik…, ik kan gewoon niet anders.’
Zeg dit niet, denk ik. Verschuil je niet achter woorden die de afstand alleen maar vergroten. Een afstand die ik niet weet te overbruggen, ook niet nu we op vakantie zijn. Opeens haat ik mezelf om de naïviteit van die verwachting. Geïrriteerd pak ik de fles Franse landwijn. 
‘Wil jij ook nog?’
Hij knikt. ‘Alsjeblieft. Dankjewel.’ 
Beleefd, alsof we vreemden zijn. Afwezig neemt hij kleine slokjes. Opnieuw zie ik er tegenop om straks naast hem te liggen. Het lijkt wel of het bed iedere nacht smaller wordt. 
‘Sander, dit gaat zo niet langer. Het ene moment ben je lief, dan weer val je tegen me uit om niks. Of je bent met je gedachten ergens anders. Dit moet toch een reden hebben? Is er soms een andere vrouw?’
Geschrokken blik. ‘Een andere vrouw? Nee zeg, ik moet er niet aan dénken. Ik hou nog steeds evenveel van je als vroeger. Het ligt niet aan jou. Als ik me soms anders gedraag, komt dat omdat ik in de war ben en me schuldig voel.’
‘Schuldig? Waarover?
Hij kleurt. ‘Denk dat je dat ik zelf niet in de gaten heb dat ik tekortschiet? Maar ik kan niet anders. Ik zou het zelf ook graag anders willen. Hopelijk gaat het vanzelf weer over.’ 
 
Met z’n vieren lopen we de paar honderd meter naar het strand. Joris en Jolien lopen voor ons uit. Joris over het gras met grote, stoere passen. Het pad stijgt langzaam. Even verderop gaat de camping over in lage duinen en tussen de tenten en caravans zie ik de zee schitteren. De warmte van de ochtendzon ligt aangenaam tegen mijn huid. Een zacht briesje voert kruidige geuren mee van planten en struiken die hier schijnbaar moeiteloos groeien. Geuren die een vakantiegevoel opwekken. De problemen lijken opeens verder weg. 
In de dagen dat we hier zijn is er een prettig ritme ontstaan, merk ik. Een nieuwe cadans waarin geen plaats is voor haast. Alleen al het gezamenlijk ontbijten. Als ik koffie zet, gaat Sander om warme croissantjes en een Nederlandse krant. Net als het nieuws van gisteren dringt het leven aangenaam vertraagd tot me door. 
Rechts van het pad zit Stephanó. Gehurkt bij een paaltje doet hij iets met een kraan. Hij zwaait en groet uitbundig. Ik zwaai terug. Jolien staart hem met open mond aan. 
‘Hij heet Stephanó, is student en werkt hier,’ zeg ik. 
‘Hoe weet jij dat?’
‘Omdat hij gisteravond in onze caravan geweest is.’
‘In onze… Waar was ik dan?’
‘Jij sliep al.’ 
‘O.’ 
Stephanó kijkt naar ons met dromerige donkere ogen. Trots zie ik hoe mooi Jolien is. Hoge veulenbenen en lang blond haar. ‘Het zal niet lang meer duren voordat we vriendjes over de vloer krijgen,’ zeg ik tegen Sander. 
Hij knikt en lijkt ineens jonger, gelukkiger ook. Misschien komt het toch nog goed met hem, met ons. 
Jolien kijkt nog steeds naar Stephanó en struikelt over een scheerlijn. Ze moet een paar rare stappen zetten om niet te vallen.
Joris lacht haar openlijk uit en slaat dramatisch zijn hand tegen z’n voorhoofd. ‘Help, mijn zuster is verliéfd.’ Hij imiteert haar stem. ‘Waar was ik ma toen die strakke gozer in onze caravan kwam? Had je me niet wakker kunnen maken?’
Jolien wordt nog roder. ‘Doe niet zo achterlijk, stomme randdebiel.’ 
Joris laat zich niet stoppen. ‘Het is hier zo saai. Geen disco en al helemaal geen leuke jongens. Maar nu hebben we Stephanó. Is het geen stuk ma?’ 
‘Jij moet nu echt je bek gaan houden, anders ga ik jou heel hard spenken.’ 
‘Spenken?’ herhaalt Sander. ‘Ken jij dat?’ 
Ik schud mijn hoofd. ‘Hun taal verandert zo snel. Net als zijzelf, als je even niet oplet zijn ze volwassen.’
We installeren ons op strand. De verhuurder van de strandstoelen komt op ons af. ‘Twee stoelen en twee parasols?’ vraagt hij. 
Hij weet het al. Een voor mij en een voor Joris. Jolien ligt liever op een handdoek. Ze rolt haar strandlaken uit en legt hem demonstratief een paar meter verderop. Joris rent naar het water. 
Als alles neergezet is, schraapt Sander z’n keel. Hij kijkt naar Jolien en doet en stap in haar richting. ‘Zullen we een kuil graven?’
‘Een kuil? Kom op zeg! Waarom geen kasteel of zandtaartjes? Nee, ga jij maar lekker rennen.’
‘Nou, als niemand me verder nodig heeft, ga ik maar. Tot vanmiddag.’ 
Als hij mijn blik aftast, zie ik in zijn ogen iets van een schuldgevoel. Eindelijk. Vast van plan m’n va- kantiegevoel overeind te houden, zwaai ik hem vrolijk toe. ‘Doei. Veel plezier.’ Ik kijk hem na terwijl hij in rap tempo kleiner wordt.
‘Ontspannende dingen doen en meer bewegen,’ adviseerde de arts hem na die hyperventilatieaanval waarbij we allemaal dachten dat hij doodging. Maar ook zonder dat advies, zou hij iedere dag gaan lopen. Hij heeft gewoon de rust niet om stil te liggen. Ik zucht. De tijd dat we als gezin op vakantie hetzelfde bestedingspatroon hadden, ligt al ver achter ons. Ik moet blij zijn dat de kinderen nog mee gaan. Het is altijd beter dan vorig jaar, troost ik me. Beelden van Sander in het ziekenhuis dringen zich aan me op. De angst en de opluchting toen bleek dat er niets met z’n hart aan de hand was.  
Joris komt aanlopen met een gebruind, blond joch. Hun handen vol schelpen. 
‘Hij heet Frits,’ wijst Joris ‘en komt uit Duitsland.’ 
Ik begroet Frits in het Duits. 
‘Hij is al dertien, maar ik ben bijna een kop groter als hem.’
‘Groter dan hij,’ verbeter ik automatisch. 
‘Jezus ma, ik zit niet in je klas, trouwens je hebt vakantie.’
‘Je moet je nog insmeren,’ zeg ik. ‘Kijk maar, je schouders worden al rood.’
Joris kijkt onwillig. 
‘Anders moet je een shirt aantrekken,’ beslis ik. 
‘Ja dahag. Ik ben geen mietje.’
‘Wat is dat?’ vraagt Frits. 
‘Eh, hoe heet dat in het Duits ma?’
‘Ik weet het niet, ik heb vakantie. En sta eens stil, zodat ik je rug kan insmeren.’
‘Doe niet zo flauw, je weet het best.’ 
‘Nee, echt niet, zulke woorden leerden wij niet. Homo, misschien?’
‘Homo?’ herhaalt Frits. 
Joris knikt. Gearmd lopen ze weg. Joris klapt dubbel van het lachen als Frits met overdreven vrouwelijke gebaren een homo nadoet. Glimlachend kijk ik ze na. Heerlijk om nog zo onbekommerd kind te kunnen zijn. Dat zal straks in de brugklas wel veranderen. 
Jolien ligt op haar buik in een te wijd T-shirt. Ze heeft haar rug half naar mij toegekeerd en schrijft een brief. Vermoedelijk naar haar vriendin. Met Astrid praat ze gelukkig wel. Zo veel dat haar beltegoed al na drie dagen op was. Fronsend zuigt ze op haar pen. Op dezelfde manier als Sander dat kan doen. Ze ligt te ver bij me vandaan om een gesprek te voeren. Haar voeten bewegen op het ritme van de muziek uit haar ipod. Ik loop naar haar toe en ga zo nonchalant mogelijk naast haar zitten. 
‘Heb je het een beetje naar je zin?’
Met een geïrriteerde blik trekt ze een oordopje uit haar oor. 
‘Hoezo?’
‘Nou ik bedoel; verveel je je niet? Wil je soms ook een stukje langs het water wandelen?’
‘Joggend zeker, net als papa?’
‘Wat jij wilt.’
‘Wat ik wil? Dat weet je best. Ik wil met mijn vriendinnen naar Spanje.’
‘Daar hebben we het al over gehad. We vinden je nog te jong. Misschien als je zestien bent.’
‘Dat duurt nog anderhalf jaar. Tot die tijd zit ik dus met jullie opgescheept.’
‘Is dat zo erg dan?’
Ze haalt haal schouders op. ‘Van pa heb je geen last die is alleen maar met zichzelf bezig, maar eh. ik wil een brief schrijven, oké?’
Met zware benen sjok ik terug naar mijn ligstoel. 
Langs de vloedlijn loopt een jong stel. Ze blijven staan om elkaar te kussen. Zo waren wij ook. Samen één, je enkel bewust van elkaar. Een pijnlijk verlangen naar de tijd dat alles nog ongecompliceerd was, ploft in m’n hart neer. 
Mijn boek ligt geopend voor me, maar de woorden willen maar geen begrijpelijke zinnen vormen. Ik kijk naar de zee waarin het blauw van de lucht weerspiegeld wordt. Verderop worden de kleuren dieper. Nog verder, waar de zee de lucht ontmoet, hangen een paar pluizige wolken. De weidsheid laat me vrijer ademen. 
Een meeuw vliegt met krachtige vleugelslagen tegen de wind in. Hoger en hoger. Daarna zweeft hij in een sierlijke glijvlucht richting strand. Met een plons verdwijnt hij in de branding om vrijwel meteen weer boven te komen met een zilver glanzend visje in zijn snavel. Ik ga op m’n buik liggen. Onder de parasol is het aangenaam warm. Aan mijn oogleden merk ik dat ik vannacht te lang heb liggen piekeren. Vannacht. Het lijkt langer geleden. Toch vreemd dat zorgen overdag kleiner lijken. Strandgeluiden raken op de achtergrond als ik luister naar de aanrollende en omslaande golven. Langzaam word ik opgenomen in het kalmerende ritme. 
 
‘Daar komt papa.’ Jolien schudt me wakker. Bijna drie uur, zie ik op m’n horloge. Die heeft het lang uitgehouden. Ik tuur naar de waterkant en herken hem aan z’n loopje. De trainingen in de sportschool hebben hem goed gedaan. Hij mag er nog wezen, zeker nu hij zo mooi bruin is. Een verlangen waarvan ik dacht dat het gestorven was, kriebelt onder mijn huid, zoekt zijn weg naar de plek waar Sander vroeger geen genoeg van kon krijgen. Ik kom overeind en drink een paar slokjes ijsthee. Sander gaat in mijn zon staan. 
‘Ook dorst?’ vraag ik.  
‘Nee, dank je. Ik heb net nog wat gedronken in een strandtent. Maar straks wil ik wel een kop koffie bij Chez Pierre. Ik ga eerst douchen. Heb je de sleutel?’
Ik wijs op mijn tas en hij knielt naast me.
Zijn warme huid ruikt lekker. Een beetje metaalachtig. De zoutkristallen op z’n schouders weerkaatsen het zonlicht. 
‘Yep, ik heb ze. Blijf nog maar even lekker liggen. Zie je straks.’
Ik kijk hem na en voel dat ik nog steeds van hem hou. Ik moet het gewoon nog een keer proberen. We hebben samen in die twintig jaar al zo veel meegemaakt dat er ergens toch een brug te vinden moet zijn. Als ik nu ook eens snel ging douchen, daarna zelf koffie zet en de kinderen willen nog even op strand blijven, kunnen wij misschien wel praten. Nu mijn voornemen concrete vormen aanneemt, krijg ik ineens haast. 
‘Jolien, ik ga naar de caravan, blijf jij nog hier?’
‘Moeten jullie niet naar die strandbar dan?’ 
Ze schuift haar donkere bril naar beneden en neemt me onderzoekend op.
‘Nee, ik heb zin in Hollandse koffie.’
 
De deur van de caravan is op slot, Sander is kennelijk al naar het sanitairgebouw en zal de shampoo wel meegenomen hebben. Terwijl ik naar het lage, witte gebouw loop, raak ik er steeds meer van overtuigd dat mijn plan deze keer kans van slagen heeft. Niet in de aanval gaan, maar laten voelen dat ik hem nodig heb. 
Voorzichtig kijk ik bij de heren. Eerst drie toiletten dan zes douches die afgesloten zijn met een halve deur. In een van de douchecabines stroomt water. Aan de buitenkant hangt een bekende handdoek en de zwembroek van Sander. Ik loop naar het deurtje. 
‘Sander? Heb jij de shampoo?’ 
Geen reactie.
‘Sander!’ 
Nog geen antwoord. De kraan wordt ook niet dichtgedraaid. Toch z’n hart, flitst het door me heen. Ik ruk aan het deurtje. Gesloten. Ik ga op m’n tenen staan om eroverheen te kijken. Sander staat in een hoek gedrukt en kijkt me met angstige ogen aan. Dan zie ik Stephanó. Zijn harige lijf zit onder de schuimvlokken. Beschaamd houdt hij zijn handen voor zijn buik. Ik kijk weer naar Sander en zie ook bij hem iets wat ik nu liever niet zie. Ineens begrijp ik alles, toch kan ik het niet bevatten. 
Ik ren naar buiten en leun naar adem happend tegen een boomstam. De kinderen, ons huis, mijn hele leven flitst aan me voorbij terwijl het voelt alsof ik razendsnel wegzak in los zand. Mijn maag komt naar boven in de val en wordt tegengehouden door de klemmende band die om mijn borst zit. Ik wil hard weglopen en zou dat zeker doen als ik me niet zo verlamd voelde. Zoekend kijk ik om me heen. Rechts het gebouw, links de caravan. Een andere weg zie ik niet. 
‘Ma,’ roept Joris. Huppelend komt hij mijn kant op. 
‘Heb jij de sleutel?’ 
Ik schud mijn hoofd. 
‘Pa dan?’ Ik haal diep adem. 
‘Mam, wat heb jij?’ 
‘Niets bijzonders jochie. Een beetje last van de warmte, denk ik.’ 
‘Is pa nog onder de douche?’ 
‘Ja. Eh nee!’
Ik kan hem nog net bij z’n magere jongensnek grijpen. ‘Niet doen.’ 
Ik sla een arm om hen heen en het verbaast me dat hij zich niet los wurmt. Met grote ogen kijkt hij me aan. 
‘Kom, wij gaan eerst een ijsje eten.’  
 

Los zand                                            © Barbara Joy

Beoordeling Natasza Tardio

Dit verhaal zit qua opbouw goed in elkaar. Het is duidelijk dat hier zorg aan is besteed, want zowel inhoudelijk, stijl en grammatica zitten over het algemeen goed in elkaar en daar valt dan ook weinig over te zeggen. 

Mijn opmerking bij dit verhaal is dat de opbouw zo duidelijk is, dat de geoefende lezer van dit genre al vrij snel een vermoeden krijgt waar het verhaal naar toe gaat. Dit komt onder andere doordat er een behoorlijk nadruk wordt gelegd op de verslechterde relatie tussen de protagonist en haar echtgenoot. Hierin wordt ook meegenomen, meerdere malen, dat hun seksuele leven niet in orde was. Als er meer nadruk was gelegd op de puberende dochter en haar affectie voor deze knappe Stephanó, was de lezer meer verrast geweest. Overigens had ik zelf gekozen voor een andere naam i.p.v. Stephanó, wat toch duidelijk een Italiaanse naam is. 

Het lijkt erop dat de schrijfster dit verhaal teveel heeft herschreven, waardoor een deel van de emotie en spontaniteit verloren is geraakt. ‘Overredigeren’ gebeurt vaker. Mijn advies: probeer balans te vinden in wat je wel vertelt en wat je niet vertelt. Op dit moment is het evenwicht tussen deze twee opties nog niet helemaal in balans.