De kinderwagen – Jolanda Smit

Met het snot tussen de ogen kan ik in de verte de blauw met witte vlaggen onderscheiden, die mijn eindpunt markeren. Nog even volhouden de komende zes-, zevenhonderd meter. Maar het valt vies tegen vanwege de lichte hellingsgraad in combinatie met een forse tegenwind. Ik ga dieper zitten, span mijn buikspieren nog wat meer aan zodat mijn rug een natuurlijke kromming krijgt, waardoor ik beter kan afzetten en de luchtweerstand afneemt. Ondanks het feit dat ik drie keer in de week hetzelfde traject van vijftien kilometer afleg op mijn snelle Fila skeelers, ga ik regelmatig stuk op het laatste deel omdat ik te fanatiek van start ben gegaan. Vandaag ben ik niet in vorm, omdat ik ongesteld ben geworden -een toestand die me niet alleen fysiek, maar ook mentaal uit mijn evenwicht haalt. Met een klotehumeur ben ik vanochtend opgestaan en heb met grote tegenzin mijn sportkleding aangetrokken. Ongesteld of niet, ik moet sporten om mijn lichaam slank en in conditie te houden.

De meters asfalt vliegen onder me door, vanuit mijn ooghoeken zie ik de naaldbomen en rozebottelstruiken voorbij flitsen. De vlaggen komen steeds dichterbij, ik kan inmiddels de witte letters onderscheiden die het woord BLOEMENDAAL vormen. Nog hooguit driehonderd meter tot ik bij de strandafgang ben. Mijn ademhaling versnelt tot een ongecontroleerd hijgen, in mijn linkerzij voel ik ferme steken die ik probeer te negeren. Kom op, tanden op elkaar en doorzetten, je kan het! Tijdens de eindsprint lopen mijn benen vol, compleet verzuurd door de fysieke inspanning en een tekort aan zuurstof. Op mijn laatste reserves krabbel ik naar de rand van de boulevard en klamp een lantaarnpaal vast. Nadat ik een paar keer diep in- en uitgeademd heb, verdwijnen de misselijkheid en de sterretjes voor mij ogen.

Het is op dit vroege tijdstip nog stil op de boulevard, ik ontwaar op het verlaten strand slechts een handjevol mensen die hun hond uitlaten of aan het joggen zijn. De strandpaviljoens gaan pas over een half uur open, maar het belooft een drukke dag voor ze te worden. Volgens de weersvoorspelling wordt het vandaag een uitzonderlijk warme voorjaarsdag met een gemiddelde temperatuur van 22 graden. Als ik het niet zo vreselijk druk zou hebben op mijn werk, vanwege een last minute evenement dat georganiseerd moet worden voor een van onze belangrijkste klanten, had ik een vrije dag genomen. Dan was ik lekker de hele dag naar het strand gegaan met een goed boek om een beetje te ontspannen en mijn lichaam te bruinen. Mijn moeder heeft me al meerdere keren gezegd dat ik een hele maand moet vrij nemen, omdat ze bang is dat ik op het punt sta een burn-out te krijgen. Zo’n vaart zal het niet lopen, denk ik, maar de laatste maanden ben ik wel heel gespannen en dat is nou niet echt bevorderlijk voor mijn lichaam. Ik strek mijn armen hoog boven mijn hoofd uit en hel beurtelings naar links en rechts over om de spieren in mijn zij op te rekken. Daarna buig ik me helemaal voorover en probeer met mijn vingers de straattegels aan te raken. Ik voel de stretch op mijn hamstrings, adem diep in en buig op de uitademing nog wat verder door naar de grond.

Tussen mijn benen zie ik een wielrenner aankomen, die vlak achter me stopt en van zijn racefiets afstapt. Ik schat hem met zijn grijze haardos en gegroefde gezicht op vijftig plus, maar hij probeert met zijn flitsende gele wielrenoutfit en donkere, aerodynamische zonnebril jonger over te komen. Quasi onopvallend gluurt hij naar mijn kont die prominent naar hem toe gekeerd staat. Weer zo’n oude viezerik die thuis zeker wat tekort komt. Snel kom ik overeind, draai me om zonder hem een blik waardig te gunnen, zoek steun bij de lantaarnpaal en duw mijn rechterbeen naar achter om de kuitspier op te rekken.

‘Nou dat doe ik je niet na, zo op die skeelers,’ zegt hij in een poging om een gesprek aan te knopen. Ik doe net of ik niets hoor en ga onverstoorbaar door met mijn oefeningen.

‘Lekker weertje om te sporten, hè?’ roept hij iets luider nu. Kennelijk is hij niet ontmoedigd door mijn negerende houding of hij heeft gewoon een bord voor zijn kop. Met een genoegzaam knikje bevestig ik zijn vraag, doe mijn ogen dicht en rol met mijn hoofd halve cirkels van de linkerschouder naar de rechter en vice versa. Daarna draai ik pontificaal mijn rug naar hem toe en zwaai met beide armen langs mijn lichaam om de schouderspieren los te maken.

Ik stop abrupt met mijn bewegingen als ik mijn mobiel tegen mijn buik voel trillen. Snel gris ik het apparaat uit de zak van mijn trainingsshirt. Shit, iemand van kantoor.

‘Met Brigitte,’ zeg ik kortaf. Kunnen ze dan niet een uurtje zonder mij. Het is verdomme nog maar negen uur.

‘Hoi Bri, met Angela. Sorry, dat ik je stoor, maar er is een probleem met de uitnodigingen van L’ Oréal, die vandaag verstuurd moeten worden. De enveloppen zijn te klein.’ Godver, kunnen die sukkels dan helemaal niets goed doen!

‘Hoe is dat in godsnaam mogelijk! Zijn ze verkeerd besteld of heeft de leverancier een fout gemaakt?’ vraag ik zwaar geïrriteerd.

‘Uh…het formaat van de kaarten is op het laatste moment nog gewijzigd en…uh… niemand heeft eraan gedacht om andere enveloppen te bestellen,’ hakkelt Angela. Ik vloek binnensmonds omdat me dit weer een paar honderd euro en een hoop extra werk gaat kosten.

‘Dat is dan knap stom van jullie, maar daar schieten we nu niets mee op. Zoek uit welke leverancier nog driehonderdvijftig goede enveloppen op voorraad heeft liggen en laat ze per koerier bezorgen. Het maakt me niet uit wat het kost, als ze maar leveren vandaag! Ik ben over een uur op kantoor en dan praten we verder.’ Venijnig druk ik de toets in om het gesprek te beëindigen en berg mijn mobiel op. Wat een fuckzooi! Mijn hoofd begint te bonzen bij mijn rechterslaap, wat meestal een vooraankondiging voor een zware hoofdpijnaanval is. Ik rolschaats enkele meters naar rechts, waar zich een brede zitbank met uitzicht op zee bevindt en neem met een zucht plaats op de linkerhoek. Van de wielrenner is gelukkig geen spoor meer te bekennen, dus ik kan even ongestoord genieten van de rustgevende werking die de zee op me heeft. Ik doe mijn ogen dicht, snuif een paar keer de zilte zeewind op in de hoop dat ik de spanning in mijn lijf van me af kan laten glijden, maar het lukt me niet.

Sinds ik met IVF ben begonnen, voel ik me een tikkende tijdbom die elk moment kan exploderen. De hormonen, waarmee ik het afgelopen jaar ben volgespoten hebben me veranderd in een chagrijnig mormel en een emotioneel wrak. En als het nog ergens toe geleid had, was dat het allemaal nog wel waard geweest. Maar na vijf terugplaatsingen van een bevrucht eicelletje, ben ik nog steeds niet zwanger. Iedere dag vraag ik me af waarom het niet wil lukken, terwijl ons beiden niets mankeert. Ik rook niet, drink niet, eet gezond, sport bijna dagelijks en heb elke maand een eisprong, daar kan het niet aan liggen. Bij Marcel zijn ook geen afwijkingen gevonden, dus in theorie zouden we net als andere stellen kinderen moeten kunnen krijgen. Maar in de praktijk zijn we al drie jaar aan het ploeteren met alle denkbare vruchtbaarheidsbehandelingen, zonder enig resultaat, behalve dan dat ik op het randje van overspannen ben en de relatie met Marcel op knappen staat. Toen hij me eergisteren tussen neus en lippen door vertelde dat zijn zus zwanger is, terwijl ze net met de pil is gestopt, kon ik hem wel wurgen. Waar haalt hij de gore moed vandaan om me dat op die manier mee te delen, de gevoelloze klootzak!

Het voelt alsof iedereen zout in de wonden strooit, want overal in mijn directe omgeving zijn vrouwen zwanger -al dan niet gepland- of net bevallen. Het lijkt wel een besmettelijke ziekte, waarvoor ik als enige immuun ben. Op kantoor gaat de een na de andere collega op zwangerschapsverlof, mij achterlatend met stapels werk en een steeds groter minderwaardigheidscomplex. Al mijn vriendinnen hebben inmiddels kinderen, op één na en die laat geen gelegenheid voorbij gaan om te verkondigen dat ze absoluut geen kinderen wil. Nou ik wel!  Maar om de een of andere reden, worden ze mij kennelijk niet gegund. Het ergste van allemaal, zijn de vrouwen die per ongeluk zwanger raken en bij mij komen uithuilen, zoals de buurvrouw. Na drie kinderen vond ze het wel genoeg, want anders werd het huis te klein en bovendien wilde ze nu eindelijk weer eens aan het werk. Maar ja, een abortus durfde ze niet aan, dus er bleef weinig anders over dan de baby te laten komen. ‘Te laten komen!’ Alsof je ergens op een knop kan drukken om baby’s te bestellen. Nu ik eraan terug denk, kan ik me er opnieuw over opwinden. Ik slaak een diepe zucht van frustratie, haal een papieren tissue uit mijn zak en snuit mijn neus.

Het wordt drukker op de boulevard, twee joggers komen op een sukkeldraf voorbij, een koppel met een bruine labrador wandelt naar de strandafgang en een vrouw achter een rode kinderwagen komt mijn richting uit en stopt op een paar meter afstand. Ja hoor, wrijf het maar onder mijn neus. Ze zet de wagen met haar rechtervoet op de rem en gaat zitten op de andere hoek van de bank. Normaal zou ik mijn uiterste best doen om de andere kant op te kijken, maar er is iets waardoor mijn aandacht wordt getrokken. Is het haar uiterlijk? Ze ziet er verwaarloosd uit met haar pluizige, roze vest, afgeknipte joggingbroek en versleten sandalen. Haar lange, bruine haar hangt in vette slierten rond haar pokdalige gezicht. Een bijstandsmoeder, vermoed ik. De kinderwagen is een antiek model en heeft duidelijk zijn beste tijd gehad. Aan de stuurstang hangt een volgepropte Albert Heijn tas te bungelen. Dit soort mensen zou geen kinderen moeten krijgen, ze heeft niet eens geld om een paar nieuwe schoenen te kopen, dus hoe kan ze in hemelsnaam een kind onderhouden! De vrouw brabbelt onverstaanbare woordjes tegen de baby, terwijl ze zachtjes met haar hand de wagen op en neer wiegt. Haar hoofd schudt op hetzelfde ritme mee, waardoor ze eruit ziet als een Parkinson patiënt. Opeens stopt ze met bewegen alsof ze betrapt wordt door iemand en draait haar hoofd in mijn richting. Ze lacht vriendelijk naar me, waardoor haar verwaarloosde gebit zichtbaar wordt. Dan pakt ze uit de plastic zak een speentje en buigt zich voorover in de kinderwagen om het toe te stoppen. Ik vraag me af waarom, want de baby heeft nog geen kik gegeven. De vrouw graait een pakje shag uit haar broekzak en steekt een peuk op. Dat rookt als een schoorsteen, is misschien ook nog alcoholist of drugs verslaafd en kan gewoon kinderen krijgen. Waarom lukt het mij dan verdomme niet!

Vanuit mijn ooghoek zie ik hoe ze zich weer voorover buigt naar de wagen en met haar vrije hand de baby streelt, terwijl ze nu wel duidelijke zinnen uitspreekt zoals ‘dag lief kindje van me, doe je oogjes maar dicht, ga lekker slapen, prinsesje van me.’

De aanblik van dit intieme moment tussen de vrouw en haar baby veroorzaakt een hevige pijnscheut in mijn buik, maar het zou net zo goed menstruatiekramp kunnen zijn. Of de wetenschap dat ik wederom niet zwanger ben, niet al pijnlijk genoeg is, laat mijn lichaam op niet mis te verstane wijze blijken dat de bevruchte eicel en het baarmoederslijmvlies wordt afgestoten. Ik voel me leeg van binnen, ik ben slechts een mooi omhulsel van een vrouw zonder hart en zonder baarmoeder. Ik schrik op uit mijn sombere gedachten door mijn telefoon, die opnieuw afgaat. Ik negeer het trilalarm, sta langzaam op en controleer of mijn skeelers nog strak genoeg vast zitten. Het wordt tijd om terug te gaan, voordat de hel losbreekt op kantoor. Ik sta op het punt om linksaf te rijden, maar opeens bedenk ik me. Heel langzaam rol ik langs de bank naar de plek waar de vrouw zit. In het voorbijgaan, gluur ik tegen wil en dank, uit pure nieuwsgierigheid, een ogenblik in de kinderwagen. Er gaat een schok door me heen als ik me realiseer wat ik zojuist heb gezien. Geen vredig slapende baby, die ruikt naar honing en talkpoeder, maar een plastic pop die me met wijdopen ogen aanstaarde. Ik ben volledig van mijn stuk gebracht en niet in staat om verder te schaatsen. Vertwijfeld kijk ik nog eens achterom naar de vrouw, die tevergeefs haar kind in slaap probeert te wiegen.