Altijd de jouwe, altijd de mijne – Fardo Dopstra

Mijn beste leraar was meneer Slot. Hij gaf geschiedenis. Hij kon prachtig vertellen, wat natuurlijk een must is als je zo’n vak geeft. Zelfs op vrijdag het zevende uur, vlak voor het weekeinde, hingen de grootste druktemakers van de school nog aan zijn lippen. Door zijn collega’s werd hij stiekem gevreesd en gehaat: een fijne, vriendelijke en beleefde man, een leuke collega, geïnteresseerd in zijn leerlingen en het wel en wee van zijn teamgenoten; een lief en oprecht mensenmens dat door allen gezien werd als concurrent. Zijn sectiegenoten vielen allemaal bij hem in het niet.

Mijn vrienden waren stikjaloers op me. De meesten van hen hadden meneer De Vries die bekend stond om zijn oersaaie oraties van vijftig minuten, doorspekt met jaartallen waarvan we het nut van het onthouden niet inzagen.

De mensen die meneer Smid hadden, een stuk of drie van ons groepje, vierden iedere les hun eigen feestje. De arme man kon voor geen meter orde houden. De tent werd tot op de grond afgebroken in zijn lessen, soms zelfs letterlijk. Pieter de Bruin uit V5C had op een warme septembermiddag gevraagd of het raam open mocht. Meneer Smid vond van niet. ‘Dat raam gaat NIET van de klem!’ had hij met een hoge piepstem door het lokaal geroepen, toen Pieter, Oost-Indisch doof, tussen de bankjes doorliep en het gele gordijn een stukje verschoof. Pieter haalde het ook niet van de klem. Hij tilde het in zijn geheel zo uit het kozijn. Smid was ontploft.

Als je het wat beter getroffen had, had je meneer Wolthoorn. Die kon tenminste nog een beetje lesgeven. Het nadeel was wel dat je dan alleen maar Oudheid kreeg, want dat was het favoriete onderwerp van meneer Wolthoorn. Een rasechte vakidioot, die extreem moeilijke toetsen gaf. Hij verlangde niveau van zijn leerlingen. Hij was niet rechtvaardig, maar onevenredig streng.

Ik kreeg in de brugklas les van meneer Slot. Meneer Slot begon in zijn eerste les over de geschiedenis van martelmethodes. Het verhaal over de dief die met een leren riem op zijn rug geslagen werd, kan ik me nog helder voor de geest halen. Als de huid open was, zo vertelde meneer Slot, lieten ze de arme man vastgebonden liggen op de plek van geseling. Iemand kwam dan zijn rug insmeren met honing. Vervolgens werd een geitje in de kamer gezet. Met zijn ruwe tongetje likte het beestje de zoete, kleverige lekkernij uit de open wonden. Ik smulde ervan.

In de tweede klas bleef meneer Slot op een kwade dag thuis. Ons bereikte het verdrietige bericht dat zijn vrouw was overleden. We hadden hem met de klas een kaart geschreven. Een week lang hadden we geen geschiedenis. In de drie weken die daarop volgden, kregen we meneer De Vries. Ik begon het vak bijna te haten. Toen, op maandagochtend het derde uur, was meneer Slot er weer. Ik kon wel een gat in de lucht springen, maar dat was natuurlijk niet gepast. Ik heb in mijn dagboek gelezen dat ik hem die dag ‘een beetje wiebelig’ vond. Een andere omschrijving past niet bij mijn herinnering. Ik weet nog hoe ik hem door mijn over mijn ogen hangende zwart geverfde pony aankeek en fluisterde: ‘Fijn dat u weer op school bent, meneer.’ Hij glimlachte, maar zijn ogen lachten niet mee.

In de derde klas had ik me ontpopt tot een op de achterste bank zittende, muntdropvretende aantekeningenmachine. In mijn eigen geheimschrift tekende ik alles op wat meneer Slot zei. Ik blonk uit in het geven van goede antwoorden en sleepte de ene na de andere negen in de wacht op de proefwerken. Het rijk van Louis XIV en de reizen van Magelhaes kwamen voorbij en settelden zich in mijn grijze cellen. In mijn vrije tijd spijkerde ik mijn talen bij. Eigenlijk was ik veel beter in schei- en natuurkunde, en had ik vooral aan het vak Duits een schijthekel, maar ik had vernomen dat meneer Slot de leerlingen uit het profiel C&M geschiedenis gaf in de bovenbouw. Als C&M-leerling had je het genoegen zeven uur geschiedenis in de week te krijgen. Zeven uren gedijen in de structuur, de rust en het enthousiasme van meneer Slot leek me geen slechte keuze. Dat ik daarvoor talen moest gaan leren terwijl ik dat eigenlijk helemaal niet zo leuk vond, nam ik voor lief.

In de vierde kwam ik in de hemel. Mijn rooster was vol, maar er waren maar zeven uren belangrijk. Geschiedenis in het algemene deel van mijn lespakket vond ik maar middelmatig interessant. In het profieldeel konden we met een klein groepje de diepte in. Werkstukken maakte ik, over Aletta Jacobs, over de piramides, over het rijk van Montezuma, over de Cubacrisis. Meneer Slot werd ook nog mijn mentor. Weer een uur erbij. Mijn fascinatie voor het vak en Slots doceerstijl moesten hier en daar pas op de plaats maken voor hormonen. Waarom was het me niet eerder opgevallen dat hij zulke prachtige groene ogen had? Een goed figuur had hij ook, zijn haar was nog pikzwart – ik had geen enkele grijze haar kunnen ontdekken – je zou niet zeggen dat hij al 35 was. Ik smolt weg als hij lachte, alle kilte in de verhouding tussen het Oosten en het Westen kon mij niet blussen. Ik stond in vuur en vlam.

Op een koude februari-ochtend in 1997, ik zat toen in de vijfde, sloeg de schrik me om het nog altijd snel voor meneer Slot kloppende hart. Ik besefte opeens dat ik volgend jaar van school zou gaan. Dat ik meneer Slot dan nooit meer zou zien. Voor die dag was het nooit in me opgekomen dat er ooit een moment zou komen dat ik niet voor de les nog even kon komen kletsen of in een uur energie op zou kunnen doen voor de rest van de saaie, vervelende schooldag. Eind, ex, amen. Mijn liefde was volstrekt onmogelijk.

Van schrik maakte ik die ochtend geen aantekeningen. Hij vroeg nog of het wel goed met me ging. Natuurlijk ging het dat niet, en natuurlijk vertelde ik hem dat niet. In de pauze overdacht ik de nutteloze les, alwaar ik als een dom hert met bang opengesperde ogen in de naderende koplampen had zitten kijken. Ik werkte niet zo hard om als een dom hert mijn ondergang tegemoet te gaan. Ik was geen hert. Ik was, hopelijk, een vrouw van de wereld en ik zou weleens een hartig woordje spreken met de ondergang. Ik ging er zelf op af, met opgeheven hoofd, de schouders naar achteren en beide borstjes pront vooruit.

Het duurde drie weken voor hij me bij zich riep. Ondanks mijn nog altijd oplettende houding in de klas, had ik het weten te presteren een 2.6 op het tweede schoolexamen geschiedenis te halen. En meneer Slot wilde wel weten hoe dat kwam. Terwijl hij vroeg of ik hem iets wilde vertellen, hield ik vol dat het domme pech was en dat ik mijn cijfer bij de volgende toets wel zou ophalen. Hij zei dat hij in ieder geval mijn naam zou opschrijven voor de herkansing. Hij surveilleerde, en ik geloof dat het het enige lesuur was dat hij langer naar mij keek dan ik naar hem. Met rode wangen van schaamte leverde ik na die 50 minuten een blaadje in met slechts drie beantwoorde vragen.

Ik bedacht me dat ik voor de andere vakken ook zware onvoldoendes moest gaan halen. Vanaf dat moment leerde ik geen Franse woordjes meer, staarde ik afwezig uit het raam bij Duits, en ‘I don’t know’ werd mijn standaardantwoord bij Engels. Na klachten van zijn collega’s riep meneer Slot me weer bij zich, op mentorgesprek. Zat ik wel lekker in mijn vel? Waarom was ik zo vastbesloten om mijn schoolexamens zodanig te verprutsen dat ik, zoals het er nu uitzag, zou blijven zitten? Ik was vertederd dat hij zich zoveel zorgen maakte. Ik weigerde hem uitleg te geven, maar vertelde wel dat ik me goed voelde en dat er niks ernstigs met me aan de hand was.

De herexamens waarvoor ik had moeten blokken, haalde ik niet. Ik bleef zitten. Daar had ik ook hard voor gewerkt. Hij bleef mijn mentor. Twee keer blijven zitten in hetzelfde jaar is niet toegestaan. Dat wist ik. Vanaf september werd ik weer mijn vrolijke zelf. Door de achterstanden die ik had opgelopen bij de talen, haalde ik zesjes. Maar dat kwam me goed uit. Ik liet hier en daar een onvoldoende vallen, en voor geschiedenis haalde ik zelfs weer achten en negens. En hier en daar een vijfje. Concentratieproblemen, hoorde ik mezelf dan zeggen. Mijn gemiddelde voor de SE’s moest niet al te hoog zijn, anders zou ik volgende jaar in de zesde in een keer slagen.

1998 werd voor mij een cruciaal jaar. Lang had ik mijn strategie overdacht, en het leek me het verstandigst om met een onvoldoendetje of drie te eindigen. Het leek alsof ik er hard voor werkte. Ik deed enthousiast over mijn vervolgopleiding: de lerarenopleiding geschiedenis. Hij vond het onder mijn niveau en vroeg me waarom ik niet de universitaire opleiding ging volgen. Bij meneer Slot haalde ik namelijk weer goede cijfers, om geloofwaardig te blijven.

Toen ik glimlachend mijn herexamen Duits verprutst had, wachtte meneer Slot me op met de uitslag. ‘Ik geloof je niet meer.’ zei hij. ‘Je bent een van mijn beste leerlingen, ondanks de vele onvoldoendes die je haalt. Ik weet dat je meer in huis hebt dan je laat zien. Ik vraag me alleen af waarom je dat allemaal voor je houdt.’ Hij had me volgens mij wel door. Hij vroeg wat voor meerwaarde het voor mij had om als twintigjarige volgend jaar weer in de examenklas te moeten zitten. Ik bood mijn excuses aan voor alle zorgen die hij als mentor over me moest hebben gehad en ik beloofde volgend jaar zijn beste leerling te zullen zijn en geen enkel cijfer onder de acht te halen.

Vanzelfsprekend hield ik me aan mijn woord. Tegen de kerst had ik een lijst om u tegen te zeggen. Meneer Slot polste regelmatig hoe dat nu kwam. Hij vroeg tussen neus en lippen door waarom ik de jaren ervoor zo slecht gepresteerd had, waarop ik glimlachend mijn schouders ophaalde. Hij was zo blij voor me dat ik me weer goed voelde. Hij zal vast in de rats hebben gezeten. Hij zal vast nachtenlang wakker hebben gelegen over mij, hij zal zich vast rot hebben gevoeld dat hij als mentor geen vat had op mijn situatie. Het speet me dat hij misschien wel aan zichzelf twijfelde door mij, maar ik had met mijn verliefde hoofd geen keus.

Op de LSD, mijn tweede en laatste, raakten we aan de praat. Ik droeg een masker met glitters. Leuk, zo’n thema, Venetië. ‘Zelfs als je onvoldoendes haalt op je eindexamen, kun je niet zakken…’ stelde hij opgelucht vast. ‘Dat klopt,’ zei ik. ‘Maar ik haal geen onvoldoendes. Let maar op.’ Hij biechtte op dat hij na mijn turbulente carrière in de bovenbouw benieuwd was waarom het zo was gelopen. Hij probeerde het luchtig te brengen. ‘Bestaat er een kansje dat je dat nog eens wilt uitleggen aan iemand die al vijf jaar je mentor is?’ We zouden wat gaan drinken aan het eind van de middag. Ik nam een picknickmand mee, met een speciaal voor die gelegenheid klaargelegde fles wijn, en toastjes.

***

Het lijk begon zwaar te wegen op haar schouder. Ze had nu wel zeker een kilometer gelopen met het levenloze lichaam in brandweerhouding over haar schouder. Haar shirt plakte van het zweet tegen haar rug. De vijver voor haar leek een pikzwarte spiegel. Er groeide lichtgeel riet en er stonden treurwilgen omheen. Donkere, antracietgrijze wolken plakten zich samen boven Heleens hoofd. Achter haar scheen de middagzon, die de open plek een ongepaste zomerzoete sfeer gaf. Het was een zwaar contrast met de hemel erboven.

Ze liet het lichaam op de grond zakken en veegde een pluk haar van haar voorhoofd. Heleen hoorde het onweer losbreken. Een paar luide knallen toen het helemaal donker was. Daarna braken dikke regendruppen het wateroppervlak. Haar gezicht nat, waarvan eigenlijk? Ze bukte en pakte zijn rechterhand. Voor altijd de mijne, dacht ze. Jou raak ik niet kwijt. Andere mensen mogen het gewoon even niet zien. Ik ben al vijf jaar, en vanaf nu altijd de jouwe. Haar gespierde bovenarm vatte hem onder zijn bovenbenen terwijl ze hem voor de laatste keer over haar schouder trok. De vijver leek zich klaar te maken om zijn lichaam op te slokken.

Drie stappen was ze nog van de rand van het water verwijderd. Haar voeten zakten weg, het liep moeilijker nu het gras zompig werd. Ze werd verrast door de bliksemschicht die nu eens niet insloeg op het hoogste punt. Hij noch zij bereikte ooit het water. Alsof de elementen niet wilden dat ze gescheiden zouden worden.

donderdag 29 november 2012