Aagjes olifant – Barbara Joy

Met een kop koffie loop ik naar de kamer. Er verschijnt een berichtje op mijn mobiel. ‘Ik ben een zus van Aagje Kortekaas. Wil je me even bellen?’

Aagje? Het ging toch goed met haar? Mijn maag trekt zich samen. Ze zal toch niet…?

Drie jaar geleden stapte Aagje de sportzaal binnen en legde dapper haar pruik op de bank. Ik hield hem op, ook al waren de gordijnen voor de wandbrede spiegels zorgvuldig dichtgeschoven. Ze droeg een huispak van grijs velours. Ook ik was kouwelijk van de chemokuur. Met een zucht liet ze haar zware lichaam op het yogamatje voor het mijne zakken. Olijk keek ze me aan. ‘Ik voel me nu écht een dikke olifant. Zeker in dit grijze pak.’ Haar parelende, krachtige lach maakte de sfeer lichter. ‘Ik heb altijd al de pest gehad aan sporten,’ ging ze verder. ‘Maar ik laat me niet zomaar kisten.’

Ik lachte naar haar. ‘Het schijnt te helpen. Dus gaan we er maar voor, hé?’

We moesten op handen en knieën steunen. Haar billen vulden mijn blikveld. Mijn gedachten dreven weg naar Afrika. De olifanten daar waren groter en sterker dan die ik in Sri Lanka had gezien. De mensen ook. Taai en buigzaam als het door de zon geteisterde gras van de savanne, gingen ze zingend en dansend hun ellende te lijf. Ik voelde me krachtiger worden. Aagje had gelijk. We lieten ons niet zomaar kisten!

Het beklemmende gevoel in mijn maag schroeft zich omhoog. Ik nestel me tussen de kussens op de bank, zucht een keer diep en bel haar zus.

‘Aagje heeft me gevraagd om je te bellen. Ze ligt in het hospice en wil je graag zien. Het hoeft maar kort. Een halfuurtje is al een hele inspanning voor haar.’

‘O, nee toch! Je overvalt me een beetje. Ik weet niet of ik dat kan. Ik ben niet zo goed in afscheid nemen. Weet je waarom ze mij wil zien? Ik mag haar graag, maar we waren niet echt close.’

‘Ze wilde jou per se zien. Dring er desnoods op aan, zei ze.’

‘Nou goed dan. Zeg maar dat ik kom.’

Wat verwacht Aagje van mij? Ik heb haar al tijden niet meer gezien. Ze was gestopt met de onco-fit toen ze een stamceltransplantatie zou ondergaan. Buiten het sporten om hadden Aagje en ik geen contact, maar we hadden wel vaak samen gepraat na de les, in de koffiehoek, wat afzijdig van de groep kakelende kippen, zoals zij onze lotgenoten noemde. We hadden gepraat over de leuke dingen die we zouden gaan doen als we weer beter waren. Over haar jeugd, het grote gezin waar ze uit kwam, haar kleindochter Lotte en over haar vader. Dat was een indringend gesprek geweest. Over de angst en schaamte die ik herkende. Ik had in mijn jeugd ook zoiets meegemaakt, met een volwassen neef. Behalve dat en een scheiding hadden we niet veel gemeen. Ik was enig kind en niet religieus opgevoed. Zij kwam uit een streng gereformeerd nest, maar ze had de beklemmende kerk verlaten, waar ze vaker over schuld en zonde spraken dan over God. De God die voor haar liefde betekende, vond ze daar niet. Ze had zichzelf daarmee verbannen. Haar ouders wilden niets meer met haar te maken hebben. Zelfs niet op hun sterfbed. Haar broers en zussen gingen daarin mee, maar kennelijk had een van haar zussen nu wel contact met haar. Woensdagsmiddag zou ik Aagje opzoeken, dinsdag ervoor zou de dominee komen, had haar zus me met een opleving in haar stem verteld. 

De statige villa ligt verscholen in het groen, met uitzicht op een groot gazon omzoomd door oude bomen. Ik stap uit mijn auto en haal diep en rustig adem. In een hospice kan ik niet meer om de dood heen. Het was me uiteindelijk gelukt om niet iedere morgen wakker te worden met die verlammende angst. Om kracht te genereren en erin te geloven dat ik weer beter zou worden. De altijd positieve Aagje was daarin een voorbeeld voor mij geweest. Hoe zou ik haar aantreffen? Wat zeg je tegen iemand die weet dat ze binnenkort dood gaat?

‘Stel je niet aan,’ had mama gezegd, toen ze me het schemerige ziekenhuiskamertje induwde waar oma lag. ‘Ik wacht buiten.’ Ik had niet durven kijken naar oma die me anders altijd zo blij verwelkomde. Dan spreidde ze haar armen en drukte ze me tegen haar zachte boezem die naar lavendel rook. Nu lag ze zwaar en onregelmatig te snurken. Ik ging met mijn rug naar haar toe staan. Haar kamertje rook naar zurig braaksel en naar de watjes waarmee ze je huid schoonmaken als je een prik krijgt. Ik ging nog dichter bij het raam staan en hield het gordijn tegen mijn neus en mond. Ineens stopte oma met ademen. Ook ik hield mijn adem in, net zolang tot ik het heel benauwd kreeg en daarna nog vijf tellen. Oma hield het langer vol. Zo lang kan niemand zonder lucht. Ik rende naar de deur. Op het moment dat ik die openrukte, gaf ze weer een harde snurk.

Toen ze opgebaard lag, weigerde ik om naar haar te kijken. In mijn droom had ze ineens haar ogen opengeslagen. Ze had me verwijtend aangekeken en haar lieve gezicht veranderde in een doodshoofd met echte ogen. 

Ook naar opa durfde ik niet te kijken. Dode mensen hebben iets heel engs. Iets onzichtbaars heeft hen te pakken gekregen en dat iets hangt nog om hen heen. Bij zijn begrafenis ben ik stiekem weggelopen, naar mijn geheime plekje in het bos. Al die snikkende en verdrietige mensen, opa die ik nooit meer zou zien, opgesloten in een zwarte kist, ik kon er niet meer tegen. Pas een week later ben ik naar zijn graf gaan kijken. Vanaf een afstandje. Een slordige hoop zand met koude ijzeren platen waar dode bloemen op lagen. Arme opa. Onder al die troep en een laag smerige aarde lag hij in de kou. Mijn opa die het kon laten sneeuwen, ook als de zon weer scheen. Dan schudde hij aan de stam van een boom en viel de sneeuw van de takken in dikke vlokken naar beneden. Hij had gelachen toen ik ze probeerde op te vangen met mijn tong.

Ik strek mijn rug. Ik kan nog terug. En een mooi kaartje sturen. Ik ben heel goed geworden in het schrijven van lieve woorden op condoleancekaarten en het verzinnen van excuses. Aandachtig neem ik de tuin van het hospice in mij op. Het oogt hier vredig, zwaluwen scheren over de oude bomen. De wind ritselt in de dorre blaadjes van de beukenhaag die al volop uitloopt. Dood en leven, ze horen bij elkaar. Mijn ouders zullen ook een keer sterven. Kom op. Ik ben hier voor Aagje. En misschien ook wel voor mezelf. Pas toen het me lukte om niet meer weg te lopen voor mijn ziekte, kon ik mijn angst de baas. 

Een vrouw in een paarse jurk opent de voordeur en gaat me voor. De inrichting is warm. Aagjes kamer is op de begane grond. ‘Ga maar naar binnen,’ zegt ze. ‘Aagje is wakker en verwacht je.’

Mijn adem stokt. Magere schouders en een hoofd dat deels schuilgaat achter een zuurstofmasker. Kort grijs haar ligt in dunne pieken op het kussen. In het verband om haar pols verdwijnt een infuusslangetje. Voorzichtig leg ik mijn hand op haar broze schouder. Haar ogen lichten op. Ik ontspan. Ja, dit is de Aagje die ik ken.

‘Zal ik het masker vervangen door een neusslangetje?’ vraagt de vrouw als ze Aagjes bed bij het hoofdeinde iets omhoog zet.

Aagje knikt.

De vrouw handelt rustig en routineus. ‘Dat praat makkelijker, hè? Ik laat jullie nu alleen. Dan kom ik zo met de koffie.’

‘Hoe gaat het met je?’ vraag ik.

‘Goed. Ik heb geen pijn. Als mijn longen serieus gaan weigeren, brengen ze me in slaap. Stikken zal ik niet. Het is goed zo.’

‘Fijn om te horen. Dappere dame.’

Ze trekt haar schouders op. ‘Ach… wat is dapper. Het is meer een kwestie van accepteren en loslaten. Jij ziet er goed uit.’

‘Ik voel me ook goed. Ik ben weer aan het werk. En een dag in de week pas ik op het kindje van een buurvrouw.’

‘Zelf nog geen kleinkind?’

‘Nee, nog niet.’

‘Maar dat gaat dit jaar wel gebeuren, toch?’

Ik knik en voel dat ik een kleur krijg. ‘Het is eigenlijk nog geheim, maar ik wil niet tegen je liegen.’

‘Ik wist het al. Kijk maar in die kast daar. Linksboven op de plank ligt iets voor je. Heb ik een paar weken terug gekocht.’

Ik loop naar de tweedeurskast. ‘Wat lief. Kon je toen nog winkelen dan?’

‘Ik wilde de zee nog een keer zien. Via de Stichting Ambulance Wens hebben ze de brancard tot op het strand gereden. Het was geweldig. Op de boulevard was een kiosk waar ze knuffels verkochten. Zoek er maar een uit. Voor je kleinkind.’ Ze hoest en hapt naar adem.

Ik draai me om. ‘Moet ik hulp halen?’

Ze schudt haar hoofd en gebaart naar de kast.

Op de plank liggen drie knuffels; een giraf, een zebra en een olifant. ‘Oei, wat moeilijk. Die giraf is heel grappig met die zachte touwbenen en dikke voeten, maar die olifant met die opgeheven slurf heeft vrolijke ogen, net als jij. Hij doet me aan jou denken.’ Ik draai me naar haar toe. ‘Ik ken je eigenlijk alleen in je olifantenpak, weet je dat?’

Ze glimlacht zwakjes. ‘Nu lijk ik meer op een apengapend muisje. Weet je wat: Neem ze allebei. Dan geef je die giraf aan je kleinkind en hou je die olifant voor jezelf. Als aandenken.’

Ze moet op adem komen.

‘Dank je.’ Ik ga naast haar zitten en leg de giraf met gespreide benen op mijn schoot. ‘Ik ben blij om je te zien en ik zal ook zonder olifantje nog aan je denken. Maar hoe wist je dat ik oma word?’

Ze wijst naar het plafond. ‘Met één been sta ik al daar. Ik weet en voel dingen die ik eigenlijk niet kan weten.’

‘Ik heb dat vaker gehoord. Toch mooi dat de natuur dat zo regelt, zo’n geleidelijke overgang, bedoel ik.’

Ze knikt. ‘Je krijgt een kleindochter. Net als ik. Lotte is al bijna zes. Oud genoeg om mij niet te vergeten.’

‘Ze zal jou zeker niet vergeten.’

Aagje wil wat water drinken. Ik hou het glas met het rietje voor haar vast. Zelfs het zuigen kost haar inspanning. Ze zakt weer in de kussens.

‘Ik denk dat ik beter naar huis kan gaan.’

‘Nee, blijf nog even. Weet je wat Lotte zei? “Ik wil jou in je kist zien slapen, oma. Als je droomt dat je naar de hemel gaat. Dan krijg ik een eigen engel.” Lief, hè?’

Aagje veegt haar ogen droog. ‘En ze wil erbij zijn als ze me begraven. Mijn zoon en vrouw willen dat niet. Ze denken dat het traumatisch kan zijn. Wat denk jij?’ Ze gebaart met haar hoofd naar een foto op haar nachtkastje.

Een wijs snoetje met sproetjes en lieve ogen. ‘Tja, ik ken Lotte niet, maar als zij dat zelf graag wil, dan denk ik dat het wel goed is. Anders blijft ze misschien met vragen rondlopen.’

‘Precies. Dat dacht ik ook.’

Er wordt koffie gebracht. Aagje heeft blosjes op haar wangen. Een half uurtje had haar zus gezegd. Nergens zie ik een klok. Als je weet dat je einde nadert, is het vast niet leuk om de minuten te zien wegtikken. Of leef je dan al in een andere dimensie waar tijd geen rol meer speelt?

Ik drink mijn koffie op en zet het kopje neer. ‘Ik ga ervandoor, Aagje. Het wordt anders te vermoeiend voor je.’

Ze pakt mijn hand. ‘Ik wil je nog iets vragen.’ Ze praat moeizaam, maar haar ogen staan krachtig.

Ik buig me naar haar toe.

‘Gisteren kwam er een dominee, hij was denk ik gestuurd door mijn zus die hoopt dat mijn ziel nog te redden valt. Ze bedoelt het goed, in haar optiek kom ik anders niet in de hemel. Hij vroeg of ik klaar was om God te ontmoeten. Ik heb gezegd dat ik er vrede mee heb en niet bang ben voor de dood. Maar ik kon hem niet zeggen wat me echt bezighoudt. Dat ik niet in zijn God geloof. En… Nou ja,  dat ik al een tijdje mijn ouders om me heen zie. Ze zijn al jaren dood, maar ik voel hun energie. Als ze komen, ruik ik als eerste hun geur. Mijn moeder ruikt naar eau de cologne en mijn vader naar het ledervet dat hij in zijn werkplaats gebruikte.’

Ik knik. ‘Dat is mooi.’

Haar blik wordt zachter. ‘Ik wist dat jij het zou begrijpen. Mijn moeder legde laatst haar handen om mijn gezicht heen. Net als vroeger. Als ik ’s winters uit school kwam. Dan gingen mijn wangen tintelen. Zo’n soort gevoel kreeg ik nu ook. Een warme tinteling die door me heen trok. Liefdevol en krachtig. Ik moest denken aan wat jij mij eens vertelde over reiki. Ik begreep niet wat jij bedoelde. Maar het moet zoiets zijn als ik nu voelde. Zo puur. Enkel liefde. Alle ruzie, pijn en verdriet leek vergeven en vergeten. Ik ben niet bang meer voor mijn moeders afwijzing. Ze wacht op me. Met open armen.’ Aagje is buiten adem en staart naar de muur. Haar ogen stralen.

‘Wat fijn. Ik krijg er gewoon kippenvel van. En je vader? Je hebt me eens verteld dat hij dingen met jou deed als kind in zijn werkplaats -‘

‘Mijn vader is ook vaak bij me. Hij heeft oprecht spijt van wat hij mij heeft aangedaan. Hij vroeg of ik hem kon vergeven. We communiceren niet met loze woorden, maar via gedachten en gevoelens. Ik kon hem vergeven. En dat voelt zo goed.’

‘Dat weet ik.’ Ik pak haar hand die krachteloos en benig aanvoelt en geef er een kneepje in.

‘Ja, mooi, hè? Vergeven is bevrijdend. Alsof er een last van me afviel. Je had gelijk. Ik ben ons gesprek daarover nooit vergeten. Je sprak over je neef zonder haat. Terwijl hij je zo veel had aangedaan. Verdergegaan was dan mijn vader. Ik wilde dat ook kunnen.’

‘En dat is je gelukt.’

Ze neemt een hap lucht. ‘Op mijn vijftiende verjaardag gaven mijn ouders me een gouden hangertje. Een kruisje, ankertje en hartje. Geloof, hoop en liefde.’ Tussen de gefluisterde zinnetjes pauzeert ze even. ‘Dat heb ik afgedaan toen ik de kerk verliet. En mijn familie mij veroordeelde. Althans dat zag ik toen zo. Maar ik kon het hangertje niet weggooien. Mijn vader wil nu dat ik het draag. En ik wil het ook. Als teken dat ik dankbaar ben voor zijn liefde. En dat ik hem vergeven heb. Ik heb nooit iemand verteld over dat misbruik, enkel aan jou. Omdat jij er toen zo openlijk over begon. Vond het zo knap van je. Hoe je daarmee omgegaan was. Daarom wilde ik je zien. Ik wist dat jij het zou begrijpen. Zou jij dat kettinkje in mijn huis willen ophalen?’

Aagje ligt in een witte kist. Er klinkt rustgevende muziek. Op haar gezicht ligt een glimlach. De frons die haar karakteriseerde is verdwenen. Haar handen liggen niet als bij een gebed gevouwen, maar losjes geopend op haar buik. Ertussen liggen madeliefjes en een vrolijke kindertekening. Het driedelige hangertje glanst ingetogen in het licht van de grote kaarsen die naast haar kist staan. Bij haar voeten is nog plaats voor een zelfde olifant als ik van haar kreeg. Hij voelt lekker zacht. Ik druk de knuffel tegen mijn wang en leg hem bij haar neer.

 

Aagjes olifant  © Barbara Joy

Beoordeling Joanne Dohle

Aagjes olifant gaat over het verhaal van twee vriendin­nen: de ik-figuur en Aagje. In een moeilijke en onze­kere tijd van ziekte delen ze met elkaar hun levensver­haal. De vriendinnen verliezen elkaar uit het oog maar wanneer Aagje op sterven ligt, dan wil Aagje de ik-figuur nog één keer zien.

De titel van het verhaal maakt nieuwsgierig: Aagjes olifant. Wie is Aagje en wat is de relatie met de olifant? De relatie van Aagje en de olifant is in meerdere frag­menten in het verhaal verweven. De lezersvraag over de olifant wordt aan het begin van het verhaal voor de lezer ingevuld met het schitterende beeld van Aagjes billen op de yoga mat en de associatieve gedachten van de ik-figuur bij de olifanten in Afrika en Sri Lanka. Maar Barbara heeft in dit verhaal ook een diepere betekenis aan Aagjes olifant gegeven: in het verhaal staat de olifant ook symbool voor kracht (de wil tot overwinnen van de ziekte en het bereiken van verge­ving) én voor de liefde (de knuffel als een dankbaar gebaar en voor een tastbare blijvende herinnering aan de vriendschap). De elementen van kracht en liefde vormen voor mij dan ook het hart van dit menselijke verhaal.

De inhoud van Aagjes olifant is bijzonder kwetsbaar en houdt de lezer de spiegel voor van de ontberingen en overwinningen in het leven van Aagje en de ik-figuur. Dat maakt dit korte verhaal aangrijpend. 

Aagjes olifant is een verhaal zonder een leidend con­flict, een eenduidig thema of een kernachtige bood­schap. Dit zijn aspecten die structuur geven aan een verhaal: de piketpaaltjes om een terrein af te bakenen, als markeerpunten waarlangs en waarbinnen de kern van de vertelling zich voor de lezer ontrolt. Het zijn ook de piketpaaltjes die een schrijver houvast geven bij de uitwerking van de structuur: de kop, het middenstuk en het slot, met hun onderlinge samenhang.

Wanneer ik naar de structuur van Aagjes olifant kijk, valt me het volgende op:

  • De kop of het begin van het verhaal

Barbara start subliem met een duidelijke trigger in de kop van haar verhaal: Aagje wil de hoofdpersoon nog één keer zien. Deze trigger is de aanloop naar de rest van het verhaal; de trigger die het verhaal in be­weging zet. Met een dergelijke duidelijke trigger houdt Barbara de aandacht van de lezer vast en geeft ze richting aan haar verhaal: waarom wil Aagje de ik-figuur nog één keer zien? Barbara maakt in deze fase van Aagjes olifant de lezer onderdeel van haar verhaal, zodat die gaat meedenken, meevoelen en misschien wel tot zelfreflectie overgaat.

Ook geeft Barbara in de kop van het verhaal de lezer meesterlijk een inkijkje naar de rest van het verhaal: de ziekte (mooi getoond met de pruiken!) verbindt de twee personages. Door de trigger en het inkijkje aan het begin van het verhaal blijft de lezer lezen en zijn/haar aandacht gaat naar niets anders uit.

  • Het middenstuk

In dit deel van het verhaal volgt de werkelijke bood­schap. Het is de kern waar alles omheen is ge­bouwd. In Aagjes olifant staat het middenstuk los van de belofte uit de kop van het verhaal. In dit deel wordt er namelijk ingezoomd op het levensverhaal van de ik-figuur, waardoor de bouwstenen als fun­dament op de trigger in deze fase van het verhaal wat wankelen. Hierdoor gaat de aandacht van de le­zer uit naar het zoeken van de rode draad; de draad die de verhaalelementen verbindt: wat wil de vertel­ster met het levensverhaal van de ik-figuur overbren­gen? Gaat het hier niet primair om de rol die de ik-fi­guur heeft gespeeld in het leven van Aagje, in plaats van de gebeurtenissen rond de ik-figuur? Door ook de overwinningen van de ik-figuur uitvoering te be­schrijven, slaat de olifant -die voor kracht en liefde staat- niet alleen op Aagje maar ook op de ik-figuur: wordt hier soms het verhaal van beide personages verteld? En, wat is dan de relatie van de details over de ik-figuur met het waarom Aagje de ik-figuur nog één keer wil zien? Het memoreren van de ik-figuur zou juist daaraan opgehangen moeten worden om de fragmenten over de achtergrond van de ik-figuur betekenis te geven.

Door de sneeuw heen lees ik dat de vertelster duide­lijk wil maken dat de ik-figuur net als Aagje zaken heeft overwonnen: haar angst voor de ziekte, de confrontatie met de dood en de schaamte. Barbara beschrijft dit in haar meeslepende schrijfstijl: beel­dend en invoelend. Ik moet concluderen dat deze fragmenten prachtig zijn geschreven, maar geen sa­menhang hebben met de trigger uit de kop van het verhaal.

Voor meer samenhang kan de ik-figuur zich in het middenstuk de volgende vraag stellen: waarom wil Aagje mij nog één keer zien? In het gissen naar ant­woorden kan er een verbinding gelegd worden met het levensverhaal van de ik-figuur. Kortom; wijzig de focalisatie (dus waarbij de persoonlijke beleving van de ik-figuur is gericht op de vraag over het weerzien, en specifiek op het gevoel van de ik-figuur bij dit ge­geven).

Ik verwacht dat een dergelijke aanpassing de kern voor de lezer eenduidig maakt: het vermogen tot het overwinnen van verschrikkelijke gebeurtenissen, dat tevens de lijm is tussen de vriendinnen én het ver­haal. Ook krijgt de inhoud zo nog meer lading, omdat een samenhangend verhaal de lezer houvast geeft om het verhaal dieper te beleven en beter te onthou­den.

  • Het slot

Een sterk slot is een afsluiting waarin de lezer de belangrijkste punten uit een verhaal meeneemt. Bar­bara komt in het slot terug op de trigger uit de kop: het antwoord van Aagje. Daarmee maakt Barbara het verhaal compleet en afgerond.

Het beeld van het hangertje van geloof, hoop en liefde vond ik een prachtig beeld. In dit gevoelig ge­schreven slot is het hangertje in de staart van het verhaal niet de introductie van een nieuwe vis. Nee, het symbool van geloof, hoop en liefde raakt de kern van dit verhaal. Mooie symboliek! Al moet ik zeggen dat dit naast de symboliek van de olifant (die een paar keer in het verhaal is verweven) wel wat veel wordt voor in een kort verhaal, waardoor de kern van de boodschap wordt verdrukt tussen de verschillende symbolen.

Ik wil Barbara een groot compliment geven voor haar schrijfstijl. Die neemt de lezer mee in een wereld van zintuigen en beelden, waardoor de lezer een fictief verhaal als een waargebeurd verhaal ervaart. Dat is ontegenzeglijk briljant.